Poppenkast

Click here to read this story in English.

puppet master
Source: box-six.com

Kortverhaal door Senne Adam

Licht stelt ons gerust. Pas als er ergens licht is, kunnen we rustig op zoek gaan naar wat we zoeken, of het nu gaat om een voorwerp dat we kwijt zijn, een weg die we moeten afleggen, of antwoorden op vragen die we onszelf stellen. We zeggen dan ook niet voor niets dat er een licht gaat branden als iemand een plotse ingeving krijgt. Omgekeerd zeggen we dan weer dat we in het duister tasten als we geen idee hebben wat we zoeken of hoe we het moeten vinden. Als iemand rouwt of depressief is, zeggen we dat die persoon een donkere periode doormaakt, en een trieste gebeurtenis in de geschiedenis wordt ook weleens beschreven als een zwarte dag. De duisternis associëren we dus met wanhoop, terwijl licht ons juist hoop geeft. Romane zag niets anders dan licht rondom zich en toch voelde ze zich wanhopiger dan ooit. Amper twaalf vierkante meter bedroeg de ruimte waarin ze werd vastgehouden door wie weet wie. De witte lamp boven haar ging nooit uit. Nooit. Het was om gek van te worden. Daardoor sliep ze amper en besefte ze nog veel minder of het dag of nacht was. De enige aanwijzingen die ze had om iets van tijdsbesef te krijgen waren de fletse maaltijden die ze drie keer per dag door een luikje kreeg van de mensen die haar hadden opgesloten. Die etensmomenten waren meteen ook de enige keren dat de jonge vrouw een glimp van andere mensen zag, want voor de rest werd haar geen sociaal contact gegund. Hele dagen lang werd ze volledig alleen gelaten met haar gedachten en hoewel er constant een licht brandde, tastte ze de hele tijd in het duister. De hele tijd stelde ze zich vragen: waarom werd ze vastgehouden? Wie waren de mensen die haar gevangenhielden? Hoe kwam ze daar weg? Waar was haar man? En belangrijker: waar was haar baby? Als ze zich nu maar gewoon kon herinneren hoe ze daar was terechtgekomen. Hoe kwam het zelfs dat ze zich niets herinnerde? Hadden haar ontvoerders haar gedrogeerd toen ze haar meenamen waardoor ze zich op dat moment nergens van bewust was? En hadden ze dan hetzelfde gedaan met haar man en haar kindje? Zaten zij daar dus ook vast? Of liepen ze nog vrij rond met de gedachte dat Romane hen zomaar had achtergelaten? Toen overviel de jonge moeder plots een enorm schuldgevoel. Terwijl zij daar vastzat en niets deed, bleef haar gezin alleen achter met zorgen, vragen en ongerustheid. En zij zat daar maar gewoon de hele dag met haar vingers te draaien! Hoe egoïstisch kon iemand zijn? Romane hield snikkend haar handen voor haar gezicht. Ze voelde niet alleen een gevoel van schuld, maar werd ook gekweld door schaamte, afkeer, ellende, onbegrip en machteloosheid. Hoe dieper ze nadacht op zoek naar antwoorden, hoe verslagener ze zich voelde omdat ze die niet vond. De psychische pijn die ze ervoer was een werkelijke marteling, veel erger dan ze ooit in haar leven had meegemaakt. Het leed was gewoonweg onbeschrijflijk en ondraaglijk. Die onophoudelijke onzekerheid, die afkeer tegenover zichzelf, die ongeloofl…
‘Stop!’ schreeuwde Romane luidkeels uit het niets, ‘Stop gewoon, godverdomme!’
Met de achterkant van haar hand veegde ze haar tranen weg terwijl ze naar boven keek en voortbrulde: ‘Waarom doe je mij dit nu aan? Vind je dit leuk, of zo? Geeft het je een fijn gevoel om mensen te martelen door hun eigen gevoelens tegen hen te gebruiken? Geniet je ervan om voor God te spelen? Antwoord dan, lafaard!’
Romane staarde naar boven, wachtend op een antwoord. Een reactie kreeg ze echter niet en het bleef muisstil.
‘Ja, tuurlijk,’ snoof de jongedame, ‘beeld mij maar af als een hysterische vrouw die haar verbeelding niet kan scheiden van de realiteit. Wat een cliché, gast! Zeg dan toch godverdomme iets! Vertel mij waarom je mij in deze situatie hebt geplaatst, wat ik hier doe, hoe ik hier wegkom, waar mijn man en mijn kind zijn!’
Ondanks de agressieve smeekbedes van Romane bleef er een ijzige stilte heersen in de ruimte. Ze zuchtte.
‘Ga je mij nu echt gewoon de hele tijd niks zeggen? Moet ik tot het einde gewoon hier op mijn gat zitten en niks doen, niet wetende wat of hoe? Dat gaan je lezers echt interessant vinden, hoor! Ga anders nog maar wat doorratelen over de tegenstelling van licht en duister. ’t Is niet zo dat honderden schrijvers je dat al hebben voorgedaan, of zo. Nog zo’n cliché. Je bent dus niet alleen een seksistische sadist, maar ook nog eens een beschamend talentloos auteur. Het lukt je niet eens om dit verhaal vooruit te laten gaan. Wat heb je nu bereikt behalve mij onnodig veel psychisch leed aan te doen?’
Niet lang nadat Romane haar zin had uitgesproken hoorde ze haar kamerdeur uit het slot vallen. Een gevoel van angst overviel haar. Ze had die deur nog nooit zien opengaan. Betekende dat dat er eindelijk iets goeds zou gebeuren? Dat haar bevrijding eindelijk nabij was? Of moest Romane zich juist klaarmaken voor nog meer miserie? De jonge vrouw stond stevig rechtop en probeerde zich voor te bereiden op wat het ook was dat die schrijver nu weer voor haar had klaarstaan. Terwijl de deur opende, zag ze een corpulente vrouw in blauwe kleren in het deurgat staan, die Romane een strenge blik toewierp.
‘De Sutter,’ sprak de onbekende vrouw, ‘meekomen.’
Shit, dacht Romane, hoe kende die haar familienaam nu? Hoeveel andere informatie had zij nog over haar? En waar wilde ze haar naartoe brengen? Vastberaden bleef Romane ter plaatse staan en negeerde de instructies van de vreemdeling.
‘Waar is mijn kindje?’ vroeg Romane schijnbaar bedaard.
De onbekende vrouw draaide blazend met haar ogen.
‘Dat spelletje gaan we niet opnieuw spelen, hè!’ antwoordde ze ongeduldig, ‘Kom mee, er wacht iemand op je.’
Wat bedoelde ze met ‘opnieuw’? Waar had die vrouw het nu toch over? Romane had haar nog nooit in haar leven gezien.
‘Wie?’ vroeg Romane vervolgens, wat gevolgd werd door ongeïnteresseerde vragende blik van de onbekende in het blauw. ‘Wie zit er op mij te wachten?’ verduidelijkte Romane haar vraag.
‘Kijk, ’t is heel simpel,’ klonk het antwoord, ‘Ofwel doe ik nu weer de deur dicht en blijf je hier, ofwel zeg je geen woord meer, kom je met mij mee en dan kom je er zelf wel achter wie jou wil spreken. Aan jou de keuze.’
Was dit een of andere val van de schrijver? Zou hij Romane weer een ondraaglijke beproeving voorschotelen als ze met die vrouw meeging? Niet dat haar huidige situatie te harden was, maar ze wist tenminste wel wat ze kon verwachten. Anderzijds zou ze misschien ook nooit haar gezin weerzien als ze deze kans niet greep. De vrouw in het blauw had duidelijk geen geduld meer en stapte de ruimte uit om daarna de deur achter zich te sluiten.
‘Wacht!’ riep Romane toen de deur nog op een kier stond, ‘Het is goed. Ik zal wel meekomen.’
Zuchtend opende de onbekende vrouw de deur en gebaarde dat Romane de kamer kon verlaten.
‘Je loopt de hele tijd voor mij en je zegt geen woord. Afgesproken?’ sprak de vreemdeling, ‘Elke keer als jij je bek opentrekt vervaagt mijn levenslust.’
Romane keek beledigd maar deed wat van haar gevraagd werd. Toen ze om zich heen keek, zag ze nog een twintigtal andere deuren die er exact uitzagen als die van haar. Hoeveel mensen werden daar nog opgesloten? Ronduit ziek vond Romane het. Terwijl ze door de kale gangen liep met de onbekende vrouw achter zich bleef ze piekeren over wat haar precies te wachten stond. Genoot die schrijver ervan om haar zo in onwetendheid te houden? Hij was godverdomme nog zieker dan zijn verhaal. Om dan nog maar te zwijgen van zijn lezers. Wie wilde er nu een verhaal lezen over iemand die zo psychisch gekweld werd? Was het om zich beter te kunnen voelen wetende dat zijzelf diezelfde shit niet hoefden te doorstaan? Hoe sadistisch moest je daarvoor dan wel niet zijn? Gewoonweg onbegrijpelijk. De vrouw in het blauw beval Romane te stoppen toen ze een houten deur hadden bereikt.
‘Ik doe open en jij komt pas na mij binnen,’ zei ze met haar gebruikelijke strenge stem, ‘Begrepen?’
Romane knikte en stapte opzij zodat ze uit de weg van de onbekende vrouw stond.
Die laatste deed daarna de houten deur open en zei: ‘Meneer Adam, uw vrouw is hier.’
Na die woorden sperde Romane haar ogen wijd open en snelde de kamer in. Daar zat inderdaad haar echtgenoot neer aan een tafel.
‘Senne!’ riep Romane uit terwijl ze naar haar man liep met de bedoeling hem te omarmen.
Ze werd echter tegengehouden door de onbekende vrouw, die haar snauwend beval om neer te zitten. Romane nam plaats recht tegenover haar man en hoopte dat hij haar verduidelijking kon brengen.
‘Senne, ik weet echt niet wat er aan het gebeuren is,’ zei ze terwijl ze tevergeefs rustig probeerde te blijven, ‘Ze houden mij hier opgesloten en ik weet niet waarom. Ik weet zelfs niet hoe ik hier ben terechtgekomen. Ik weet nog dat ik het ene moment thuis onze Silas een badje aan het geven was en het andere moment werd ik hier wakker op de kale vloer. Alles daartussen is gewoon één groot zwart gat.’
Hoe meer Romane zei, hoe pijnlijker de blik van Senne Adam werd. Dat bleef door zijn vrouw natuurlijk niet onopgemerkt.
‘Schat, gaat het wel? O nee, hebben ze jou ook opgesloten? Ze hebben je toch niks aangedaan? En waar is Silas? Is ons kindje oké?’
Senne bleef stilzwijgend zitten en leek elk oogcontact met zijn echtgenote te vermijden.
‘Zeg dan toch iets, schat,’ fluisterde Romane wanhopig.
Senne slaakte een diepe zucht en legde zijn vrouw zachtjes de situatie uit: ‘Je hebt een paar dagen in de isoleercel gezeten, Romane. Je liet de cipiers geen keuze nadat je de andere gevangenen zat op te hitsen met die vreemde theorieën van jou over die schrijver die alles en iedereen in zijn macht zou hebben. Je wou er niet mee stoppen, dus eenzame opsluiting was de enige oplossing die ze voor ogen hadden.’
Romane moest even laten bezinken wat ze nu net gehoord had.
‘Z-zit ik in de gevangenis?’ stamelde ze verward.
Haar man knikte naar de vrouw die haar uit de isoleercel had gehaald en zei: ‘Je ziet toch dat dat een cipier is, Romane? Zij en haar collega’s hadden mij gebeld omdat je blijkbaar aan extreem geheugenverlies lijdt en ze dachten dat het misschien zou helpen als je mijn gezicht zag. Je hebt me tenslotte niet meer gezien sinds je hier zit. Ik wou eerst niet komen, maar toen bedacht ik mij dat ik je dan ook hier persoonlijk mee kon confronteren.’
Senne haalde een bundel papieren boven samen met een balpen en schoof die door naar Romane.
‘Waarom heb je die nog altijd niet getekend, Romane? Je weet dat we niet getrouwd kunnen blijven na wat er gebeurd is. Laten we er alsjeblieft geen vechtscheiding van maken.’
Romane nam gechoqueerd de scheidingspapieren in haar handen en probeerde met trillende stem de situatie te begrijpen.
‘M-maar ik kan toch niet in de gevangenis zitten? Waarom dan? En ik wil niet scheiden. Waarom wil jij nu scheiden? We hebben het toch goed samen? We kunnen Silas toch niet met gescheiden ouders laten opgroeien? Hij is maar drie weken oud!’
‘Silas is godverdomme de hele reden dat ik niet bij jou kan blijven!’ snauwde Senne met onderdrukte stem, ‘Ik kan je zelfs amper aankijken! En durf zijn naam niet meer uit te spreken! Durf niet!’
Sennes stem gaf blijk van diep verdriet en razende woede tegelijk. Romane wist absoluut niet wat ze moest maken van de situatie. Ze probeerde alles te laten bezinken, maar hoe kon ze? Na dagenlang niets te weten had ze net te horen gekregen dat ze in de gevangenis zat en dat haar man van haar wilde scheiden, en ze wist niet waarom die dingen haar overkwamen. Nu ja, ze wist wel waarom, natuurlijk. Er was namelijk die schrijver die haar hele leven bepaalde. Hij besliste wat er gebeurde, hoeveel Romane ervan mocht weten en wat de mensen rondom haar geloofden. Als ze maar een manier kon bedenken om anderen ook te laten beseffen dat ze in het hoofd leefden van een psychopathische egotripper met een godcomplex. Hoe ze anderen zou kunnen overtuigen wist Romane niet, maar ze besefte wel dat als ze niets probeerde ze ook niet vooruit zou gaan.
‘Senne, ik weet dat het als waanzin klinkt, maar je moet mij gewoon even geloven. Wat het ook is dat jij denkt dat ik gedaan heb, het is niet waar. Er is een schrijver die jou laat denken dat i…’
‘Ga je nu weer beginnen over die fucking schrijver?’ onderbrak Senne haar verontwaardigd en met verheven stem, ‘Ik ken je verhaaltje nu ondertussen wel al, hoor! Volgens jou zijn wij personages in een verhaal van een of andere gestoorde schrijver die de touwtjes in handen heeft en ons dingen laat doen, zien en denken die wij niet willen. En om wie weet welke reden ben jij de enige in heel het verhaal die beseft dat ze een fictief personage is, en al de rest leeft in de fantasie dat dit wel degelijk de echte wereld is. Hoor jezelf toch eens bezig, mens!’
‘Senne, alsjeblieft, ik zeg dat ik weet dat het n…’
‘Da’s wel gemakkelijk natuurlijk, hè,’ viel hij haar weer in de rede, ‘Het is gemakkelijk om zomaar de schuld naar iemand anders door te schuiven. Maar het is ook zo laag. Zeker in jouw geval.’
Romane keek haar echtgenoot onbegrijpend en bedroefd aan.
‘Leg het mij dan uit,’ zei ze zachtjes, ‘Leg mij uit waarom ik het volgens jou verdien om hier te zitten, waarom je me hier nooit hebt bezocht en waarom je van me wil scheiden.’
‘Meen je dat nu echt?’ smaalde Senne, ‘Ga je mij het echt allemaal opnieuw laten beleven?’
Romane keek haar echtgenoot zwijgend en vragend aan. Die laatste klemde ergerlijk zijn kaken opeen en gaf uiteindelijk toe.
‘Die laatste dag die je je herinnert, toen je Silas in bad stopte, was ik er dan bij?’
Romane dacht kort na en schudde dan het hoofd.
‘Klopt,’ bevestigde Senne, ‘En ik was er beter wel geweest. Ik had er meer moeten zijn. Maar ja, in dit land krijg je als vader maar tien dagen verlof na de bevalling, dus veel keuze had ik niet. En toch … We wisten allebei heel goed dat het mentaal niet goed met je ging na de geboorte. Je hebt niet één keer oprecht gelachen, je was altijd prikkelbaar en je zocht alleen contact met Silas als het echt nodig was. Ik had je nog gesmeekt om in therapie te gaan, maar dat wou je niet. En dus werd het alleen maar zwaarder voor je. Elke keer dat je ’s nachts wakker werd door gehuil, elke luier die je om de twee uur moest verversen, elke keer dat Silas honger had … het werd je allemaal te veel. Die bewuste middag toen je Silas in bad stopte begon hij weer te huilen. Je kon het niet meer aan, zei je, dus om hem te doen stoppen heb je zijn hoofdje onder het water geduwd.’
‘N-n-nee,’ stamelde Romane ongelovig, ‘Nee nee nee, dat is niet waar! Dat kan niet. Dat mag niet. Ik heb dat niet gedaan.’
‘Je hebt hem onder water gehouden tot hij niet meer bewoog, Romane,’ sprak Senne haar tegen, ‘Ik kwam thuis en ik zag jou die op je dooie gemak tv aan het kijken was terwijl…’
Senne pauzeerde even voor hij met tranen en met trillende stem zijn zin afmaakte: ‘Terwijl Silas dood in de badkamer lag.’
‘Nee, dat is niet waar!’ huilde Romane op haar beurt, ‘Dat is niet gebeurd! Ik heb dat niet gedaan!’
‘Weet je Romane, misschien had ik je ooit kunnen vergeven als je je schuld had toegegeven en er ook echt spijt van had, maar tot op de dag van vandaag vertik je het om dat te doen en geef je die stomme schrijver de schuld.’
Romane durfde haar man niet aan te kijken en zat gewoon zwijgend op haar stoel te snikken terwijl ze probeerde te verwerken wat ze net te horen had gekregen.
Senne werd razend door het gebrek aan een reactie van zijn echtgenote en tierde: ‘Er is geen schrijver, Romane! Besef dat nu toch eens! Mijn kind is dood en dat is jouw schuld! Die van jou en niemand anders!’
‘Oké, ik denk dat het nu wel weer tijd is om terug naar de cel te gaan,’ kwam de cipier tussenbeide voor de situatie nog meer escaleerde.
Senne wees nog eens naar de scheidingspapieren terwijl Romane terneergeslagen opstond om terug te keren naar haar eenzame opsluiting.
‘Zorg dat je ze tegen het einde van de week hebt getekend,’ sprak hij koud terwijl hij de tranen van zijn wangen veegde.
De cipier nam de papieren aan in de plaats van Romane en verzekerde hem dat ze het er met haar nog over zou hebben zodra ze weer stabiel was. Zonder tegen te stribbelen en gechoqueerd door het hele tafereel van daarnet liep Romane samen met de cipier de gangen door op weg naar de isoleercel. Daar aangekomen ging ze op de betonnen vloer liggen en staarde naar het licht dat haar de afgelopen dagen zo had gekweld. Ze wenste dat die verdomde lamp opnieuw haar grootste zorg was. De laatste dagen was ze zo wanhopig geweest om te weten waar ze was en waarom ze daar zat, maar nu ze dat wist voelde ze zich nog ongelukkiger dan ervoor. Ze zou nog jaren wegrotten in de gevangenis, haar huwelijk was kapot, iedereen dacht dat ze psychisch gestoord was, haar kindje was dood en het ergste van al was dat zij daarvoor gezorgd had. Romane vond het logisch dat ze nu een hele waaier aan emoties zou ervaren: verdriet, angst, ongeloof, woede, zelfhaat, afkeer, wanhoop, noem maar op. Maar ze voelde niets. Ze vond het normaal dat ze nu hysterisch zou huilen, schreeuwen en misschien zelfs zou lachen tegelijkertijd. Maar ze deed niets. Ze staarde gewoon voor zich uit naar het licht boven zich dat permanent aanbleef.
‘Goed gespeeld, schrijver,’ zei ze met een monotone stem, ‘Ik hoop dat je voldaan bent.’
En toen ging het licht uit.

Advertisements

One thought on “Poppenkast

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s