Groots geschapen

Click here to read this story in English.

Creation of Adam

In het begin was er niets. Welja, behalve God dan, want die was er altijd al. Hoe is hij dan ontstaan, wilt u weten? Geen vragen bij stellen en gewoon aanvaarden, anders klopt het verhaal niet meer. Maar goed, nadat God dus eindeloos lang met zijn vingers zat te draaien in een oneindige leegte, besloot hij plots om de een of andere reden dat hij aan verandering toe was. Hij wilde iets om zich mee bezig te houden en creëerde een speelgoedje. Dat speelgoedje was pikdonker en had nog geen concrete vorm, maar het was er wel. God gaf het de naam aarde. De duisternis die de aarde bedekte stond God niet echt aan, waardoor hij het licht schiep. Het licht deed de prachtige wateren van de aarde glinsteren en God zag dat het goed was. Hij liet het licht herhaaldelijk langzaamaan verschijnen tot het zijn hoogtepunt bereikt had om daarna weer geleidelijk aan te vervagen in de duisternis. God noemde de periode van het licht dag en die van de duisternis nacht. Na zijn nieuwe creaties rustte God even uit – hij was het namelijk niet gewend om ook maar iets te doen – en besloot dat de eerste dag afgelopen was. Na even uitrusten bestudeerde de schepper zijn creatie nog eens. Hij vond dat er nog het een en ander aan miste, dus probeerde hij iets uit. Hij creëerde een ruimte om het water van de grond te scheiden van het water erboven. Die ruimte noemde God de lucht. God wreef even over zijn kin en besloot dat hij nog heel wat moest aanpassen, wilde hij zijn experimentele speelgoed perfectioneren. Om de aarde er wat minder eentonig te laten uitzien, liet hij van onder het water reusachtige droge stukken oprijzen. Die stukken gaf hij de naam land. Om het land wat kleur te geven maakte God het vruchtbaar, waardoor miljoenen groene planten het oppervlak versierden. En God zag dat het goed was. Voldaan besloot hij dat de tweede dag was afgelopen en ging weer wat uitrusten. Toen de nacht echter aanbrak op aarde, raakte God al snel verveeld door de duisternis. Om de nacht wat op te fleuren hing hij de donkere hemel vol sierlampjes, die hij sterren noemde. Omdat de schepper nog licht op overschot had, maakte hij nog twee lichtgevende ballen. De ene zou ’s nachts aan de hemel hangen, terwijl de andere overdag te bewonderen was. De lichtballen kregen respectievelijk de namen maan en zon. Nu de aarde er ’s nachts ook mooi uitzag, bepaalde God tevreden dat de vierde dag op zijn einde was gekomen. Maar hij was helemaal nog niet klaar. Hoewel zijn speelgoedje mooi gedecoreerd was, mocht het toch nog iets … spannender worden. De schepper liet de lucht en het water bevolken met wezens van alle formaten en bepaalde daarbij dat sommige wezens niet konden overleven zonder de andere wezens op te eten. Entertainment gegarandeerd, dacht hij grijnzend, en beëindigde zo de vijfde dag. De aarde was nu al een stuk interessanter om naar te kijken, maar ze was toch nog niet helemaal wat ze moest zijn. Het land zag er op de vegetatie na nog behoorlijk leeg uit, dus besliste God dat ook op het land levende wezens zouden ronddwalen. Hij blies bijzonder gevarieerde schepsels het leven in. Sommige waren minuscuul, andere immens. Het ene wezen had twee poten, het andere vier, zes, acht of wel honderd. Er ontstonden herbivoren, carnivoren en omnivoren. Allemaal bewandelden ze het land onder de prachtige zon. Over die laatste gesproken, God vond die gigantische lichtbol toch wel zijn meest geslaagde toevoeging aan zijn experiment. Daarom oordeelde hij dat alleen hijzelf de zon mocht bewonderen. Elk wezen dat er te lang naar staarde, zou zijn zicht voor altijd verliezen. Ja, zo egoïstisch was hij soms wel, die God. Terwijl de schepper de dieren observeerde, die elk hun rol op de aarde probeerden uit te zoeken, kreeg hij een idee: wat als hij nu eens zijn evenbeeld in zijn experiment verwerkte? Zou dat het lang uithouden op aarde? Zou het snel doorhebben dat het om een experiment ging? Misschien zou het de aarde wel helemaal gaan domineren. Nieuwsgierig en vol enthousiasme nam God een pak aarde, kneedde er een vorm in en blies er zijn levensadem in. Vanaf dat moment wandelde op aarde het wezen dat uiteindelijk het grootste gevaar op de planeet zou worden. God noemde het schepsel de mens. Inziend dat de mannelijke mens een helper nodig had om zich voort te planten, bedacht God snel een variant van zijn evenbeeld die de man zou bijstaan in het dagelijkse leven. Zonder er te veel tijd aan te verspillen – het ging namelijk maar om een hulpje – nam God snel een rib uit het slapende lichaam van de man en knutselde er vlug een gelijkaardig lichaam uit met meer rondingen en minder testosteron. Naar het nieuwe schepsel verwees God met het woord mannin, omdat zij voortkwam uit de man. Haar hele bestaan had zij te danken aan een man, en dat moest ze goed beseffen. Adam, de eerste man op aarde, had nu een manninnelijke levenspartner, die Eva heette. God plaatste het koppel in de tuin van Eden, een paradijselijk domein waar alles en iedereen in harmonie samenleefde. Daar beantwoordden Adam en Eva elk aan de rol die God hun had opgelegd: Adam zorgde voor het eten, waarna Eva dat eten klaarmaakte, maar ook het terrein schoonhield, er alles aan deed om aantrekkelijk te blijven voor haar man, en hem natuurlijk ook altijd met een glimlach hielp als dat van haar gevraagd werd. Voorlopig was de schepper tevreden en sloot zo de zesde dag af. Op de zevende en laatste dag rustte God uit. Of dat was toch wat hij de wereld deed geloven. Zijn favoriete engelenzoon Lucifer bracht hem die dag namelijk op het idee om zijn experiment nog wat boeiender te maken. Zo raadde hij aan om in de grond reusachtige skeletten te verstoppen van mysterieuze reptielen die geen van de levende wezens ooit had gezien. God en zijn zoon hadden er geen idee van hoelang het zou duren voor die skeletten ontdekt werden, maar dat maakte het juist interessant. Hij kon zich de hilarische verwarring nu al inbeelden.

De rest van de dag leunde de schepper gewoon naar achteren en aanschouwde het repetitieve toneelspel op aarde: prooidieren gingen op zoek naar plantaardig voedsel, tot ze roofdieren tegenkwamen en moesten vluchten naar een andere plek met plantaardig voedsel. Hoewel het aanvankelijk entertainend was om te raden of een prooidier al dan niet slachtoffer zou vallen van een roofdier, werd het hele schouwspel na een tijdje toch wat voorspelbaar. De wezens die de aarde bewoonden vervulden op het stuk speelgoed gewoon allemaal de rol die God hun had opgelegd, omdat ze niet beter wisten. Daarom gebeurde er natuurlijk ook nooit echt iets verrassends, en ging God zich al snel vervelen. Toen kwam hij op het riskante idee om één diersoort de kans te geven om haar intelligentie te verrijken. De schepper liet in het midden van de tuin van Eden een enorme boom groeien waarvan de vruchten de kennis van goed en kwaad verschaften aan iedereen die ervan at. Hij wilde die kennis echter niet zomaar aan om het even welk dier schenken. Daarom nam hij zijn megafoon en sprak alle dieren toe met een boodschap van algemeen nut: de wezens mochten alles eten op aarde wat ze maar wilden, behalve de vruchten die aan de boom hingen die hij zonet had laten verschijnen. Zodra iemand daarvan at, zou de paradijselijke tuin van Eden namelijk maar een tijdelijk verblijf worden. Alle wezens op aarde zouden dus na een bepaalde periode niet meer bestaan. Hoelang het zou duren voor de dood hen opwachtte zou voor ieder wezen onbekend zijn, maar de dood zou een zeker gegeven worden. Was het tegenstrijdig om zoiets af te roepen als God juist wilde dat er van de boom gegeten werd? Zeker, maar hij wilde dat alleen het dier dat het lef had om tegen zijn bevel in te gaan een dergelijke kennisverrijking genoot. Zo’n tegendraadsheid zou namelijk blijk geven van een verder ontwikkelde intelligentie die God misschien onbewust had geschonken aan een van de wezens op zijn speelgoedje. Zoals de schepper wel al had verwacht, bleef het even duren vooraleer er een wezen ook maar in de buurt durfde te komen van de speciale boom. De zon en de maan losten elkaar verschillende keren af, zonder dat de verboden vruchten werden aangeraakt. Maar God had al een tijdje een slang in de gaten die al enkele dagen rond de boom kroop. Toen het dier het op een dag waagde om de stam ervan te beklimmen, keek God geïntrigeerd toe hoe het op een tak hongerig naar een van de verboden appels keek. De slang was echter terughoudend: de waarschuwing van God was vrij vaag en daardoor wist het beest niet wat de gevolgen precies zouden inhouden. Bovendien wilde het ook niet door alle andere aardse wezens gehaat worden als bleek dat het zijn schuld was dat ze allemaal sterfelijk zouden worden, wat dat ook mocht betekenen. De slang had dus een proefdier nodig om de effecten van de vrucht te observeren. Toen Adam toevallig naar de boom toe wandelde op zoek naar voedsel, maakte de slang zich klaar om zijn plan uit te voeren. Vlak op het moment dat Adam onder de boom stapte, beet de slang de steel van de appel door. De vrucht landde op het hoofd van de man, die meteen daarna een pijnlijke kreet uitte. Hij raapte de appel op van de grond en als gehypnotiseerd bewonderde hij secondenlang de mooie ronde vorm ervan. De slang gleed langs de boomstam op de schouder van Adam en spoorde hem aan om van de vrucht te bijten.
‘Ik weet het niet,’ aarzelde Adam, ‘Van onze schepper mogen we geen vruchten eten die aan deze boom hangen.’
‘Maar dan is er toch helemaal geen probleem!’ siste het listige serpent terwijl het zijn kop voor die van de man bracht, ‘Die appel hangt namelijk niet meer aan die boom. Het kan dus geen kwaad, geloof mij maar.’
In de hemel zat God als genageld aan zijn stoel te kijken hoe het aardse tafereel zich ontrafelde, terwijl hij met een gouden lepeltje een potje rijstpap naar binnen speelde. Zou Adam op de list van de slang ingaan? Of zou hij toch gehoorzaam blijven aan de bevelen van zijn schepper? En als de man weigerde, zou de slang dan een nieuw lokaas zoeken of toch zelf van de vrucht eten om te zien wat er zou gebeuren? Aah, zo spannend!
Toen duidelijk werd dat Adam nog niet helemaal overtuigd was, deed het serpent alsnog een laatste poging om hem over te halen: ‘God heeft echt wel betere dingen te doen dan wezens te straffen die van een stuk fruit eten. Trouwens, waarom zou hij hier speciaal een extra boom laten groeien als hij niet wilde dat ervan gegeten werd? Dat slaat toch nergens op?’
Adam keek bedenkelijk en gaf toe dat de slang een punt had. Hij nodigde de slang uit bij hem thuis om de appel samen met hem en Eva op te eten. Toen hij en het serpent Eva tegenkwamen op de woonplaats van het menselijke koppel, bood Adam een derde van de appel aan zijn mannin aan, een ander derde aan de slang en hield de rest voor zichzelf. Aangezien de slang nog wantrouwig stond tegenover de onbekende gevolgen die de verboden vrucht met zich meebracht, gebruikte hij de smoes dat hij last had van tandpijn en een appel dus niet het beste idee was als maaltijd. Hij verzekerde het koppel dat hij de vrucht voor later zou bewaren, als de pijn al wat was verzacht. Zonder de uitleg van hun gast in twijfel te trekken namen Adam en Eva allebei en hap uit de verboden vrucht. God keek vanop zijn wolk enthousiast toe hoe het koppel de appel naar binnen werkte. Natuurlijk had hij gehoopt dat het wezen dat hij naar zijn beeld had geschapen de kennis van goed en kwaad zou krijgen, maar hij had niet gedacht dat het ook effectief zo zou lopen. Dit was geweldig! Het leven op aarde zou voortaan zo veel interessanter worden! Maar God moest zich natuurlijk wel nog altijd aan zijn belofte houden als hij wilde dat de aardbewoners hem tot in de eeuwigheid zouden blijven respecteren. Alle wezens moesten dus met sterfelijkheid bestraft worden door de schuld van de twee mensen. Die straf moest uiteraard wel op een manier worden uitgesproken die intimiderend en dramatisch genoeg was. Daar had de schepper echter niet op voorhand over nagedacht, dus moest hij snel improviseren. ‘Helaba, wat gebeurt er hier allemaal? Moet ik komen helpen?’ testte God in zichzelf even uit. Nee, dat klonk veel te moederlijk. Hij moest angst aanjagen, niet zomaar berispen. Nog een poging. ‘Zal ’t gaan, ja?’ Ugh, nee! Dat klonk als een of andere Vlaamse garagist, of zo. Niet dat Adam noch Eva al wist wat Vlaams of garagist betekenden, maar God wilde er zesduizend jaar later liever niet mee geassocieerd worden. Op zijn gemak probeerde de schepper nog een paar intimiderende aansprekingen uit terwijl Adam en Eva het effect van de vrucht begonnen te voelen.

Eva keek Adam aan terwijl ze haar blik over zijn volledig naakte lichaam liet glijden, bestudeerde dan haar eigen lichaam, dat ook onbedekt was, en keek daarna weer naar Adam, die net hetzelfde deed. Er overviel hen een onaangename sensatie die ze nog nooit eerder hadden gevoeld: schaamte. Haastig nam Eva drie vijgenbladeren van de dichtstbijzijnde boom en bedekte ermee haar schaamstreek en haar tepels. Adam nam maar één blad, om alleen zijn schaamstreek te bedekken. Geen van beiden kon geloven dat ze pas nu begrepen hoe onfatsoenlijk ze er hun hele leven hadden bij gelopen. Door het schaamtegevoel durfden ze niet meer met elkaar te spreken, laat staan dat ze elkaar konden aankijken. De slang begreep zelf helemaal niets van de eigenaardige reactie van de twee mensen en wilde de stilte breken door te vragen wat er aan de hand was, maar een hels gedonder was hem voor.
‘Bende zondaars!’ brulde God plots, die eindelijk een gepaste aanspreking had gevonden, ‘Gij hebt mijn vertrouwen geschaad en mijn regels geschonden! Daarvoor zult gij boeten met sterfelijkheid, net als alle andere wezens op aarde.’
‘Zeg, waarom spreekt die gast zo raar?’ fluisterde Adam tegen Eva, doelend op het plechtige taalgebruik van de schepper.
‘Geen idee,’ fluisterde Eva terug, ‘maar volgens mij is hij een beetje boos, dus misschien moeten we luisteren naar wat hij te zeggen heeft.’
God ging ongestoord verder met zijn monoloog: ‘Hadt gij nu werkelijk de impressie dat uw acties, neen, uw wandaden, zomaar onopgemerkt zouden blijven? Simpele wezens dat gij zijt! Maar gij ook, slang. Ik heb wel gezien hoe gij Adam hebt verleid om zijn eerste zonde te begaan. Bij deze benoem ik u tot een van de vijanden van de mens. Elke keer als gij elkander ziet, zult ge de drang voelen om elkander aan te vallen, mogelijk met de dood tot gevolg voor een van u beide. Ook zal de mens alleen nog maar in staat zijn om met zijn eigen soortgenoten te communiceren. De taal van de dieren zal als een verzameling van onbegrijpelijke klanken worden ervaren en gij zult niet weten wat een beest anders dan van uw eigen soort u probeert te zeggen.’
God pauzeerde even omdat hij het moeilijk had om zijn lach in te houden. Hoe geweldig was dit? Hij kon die arme wezens gewoon straffen voor iets dat hij wilde zien gebeuren, en niets of niemand die hem kon tegenhouden!
Toen hij weer een neutraal gezicht kon aannemen, sloot hij zijn tirade af: ‘Verder wordt de tuin van Eden niet langer een oord van gelukzaligheid. Ge zult worden blootgesteld aan ellende, ziektes, geweld en wanhoop. Echter kunt gij nog om vergiffenis vragen door uw handen samen te vouwen en mij toe te spreken in een vorm van een gebed. Maar even tussen haakjes: liefst niet tussen twee en vier uur ’s nachts, want dan is het tijd voor mijn cardiotraining. Maar anders zijt gij zeker welkom voor een babbel, hè! Oké goed, denkt gij nu maar eens na over uw daden terwijl gij bedolven wordt onder alle aardse miserie die u tot nog toe onbekend was!’
Na die woorden liet God merken dat hij uitgepraat was en liet de aardse wezens weer hun gang gaan.
‘Die appel was een verboden vrucht?’ snauwde Eva verwijtend naar Adam, ‘Waar zat je met je gedachten? Er was één regel waar we ons aan moesten houden. Eén! En jij moest die zo nodig gaan breken. Alsof er geen ander voedsel te vinden is in de buurt!’
‘Och mannin, hou toch eens op!’ reageerde Adam geïrriteerd, ‘Als ik had geweten dat het echt zo veel kwaad kon, had ik die appel nooit meegebracht.’
‘God had anders wel heel duidelijk aan alle aardbewoners meegedeeld dat de vruchten van de boom van de kennis van goed en kwaad niet voor ons bestemd waren. En door jou zijn we nu sterfelijk, wat dat ook mag betekenen!’
Terwijl Adam en Eva het allereerste bekgevecht ooit hadden, sloop de slang langzaam dichter naar Adam. Na de berisping van God had het beest opeens de drang gekregen om de twee mensen voor zich aan te vallen. Eva had het gevaar echter op tijd gezien en waarschuwde Adam in het midden van hun gekibbel. Die laatste draaide zich met een ruk om en kon nog net op tijd het beest bij de keel grijpen. Terwijl het serpent met zijn enorme scherpe giftanden dreigde, sloeg Adam de kop van het beest zo hard en zo vaak als hij kon tegen de boom naast zich. Bij elke slag spatte net iets meer bloed op het gezicht en het lichaam van de man en verminderde het verzet van het dier, tot het zich volledig slap en zonder beweging liet hangen. Hijgend liet adam de slang met een gebroken schedel op de grond vallen. Eva keek gechoqueerd.
‘Moest dat nu echt zo gewelddadig gebeuren?’ vroeg ze met grote ogen.
‘Wat? Ga je nu ook al kritiek geven omdat ik ons leven heb gered?’ antwoordde Adam verwijtend.
‘Tja, als het niet aan jou had gelegen was ons leven zelfs nooit in gevaar geweest,’ argumenteerde Eva op haar beurt.
Adam zuchtte terwijl hij zijn gezicht met zijn handen bedekte. Was die Eva altijd al zo’n zeur of was dat een bijwerking van de verboden vrucht?
‘Ga jij maar gewoon wat water halen zodat ik dat bloed van mijn lichaam kan wassen,’ zei hij, ‘En zorg dat je genoeg meeneemt, want we gaan er ook nodig hebben om te koken. Er staat slang op het menu vanavond.’
Geërgerd volgde Eva uit gewoonte het bevel van Adam op en nam haar handgemaakte kruiken om ze aan de vijver te vullen met water. Maar toen ze Adam de rug toekeerde met de kruiken in haar handen, kon ze gewoon niet anders dan iets doen wat ze nog nooit had gedaan en zelfs nooit eerder voor mogelijk had aangezien. Ze draaide zich opnieuw naar Adam, liet de kruiken vallen en zei doodserieus: ‘Nee.’
Adam trok zijn wenkbrauwen hoog op en antwoordde verontwaardigd: ‘Excuseer? Waar denk jij dat je mee bezig bent?’
‘Jij bent degene die die bloedvlekken heeft gemaakt, dus ik vind niet dat ik dan water moet halen om die proper te maken. Doe het zelf maar.’
Adam lachte de mannin recht in haar gezicht uit.
‘Euhm, jij weet toch wel wat jouw rol is in deze wereld, hè? Jij werd ontworpen als mijn helper. Denk je dat het toevallig is dat God jou geschapen heeft uit mijn rib in plaats van de moeite te nemen om zoals bij mij volledig vanaf nul te beginnen? Jij doet wat ik zeg. Zo was het vroeger en zo zal het ook altijd zijn.’
‘Maar vroeger hadden we de kennis van goed en kwaad nog niet,’ argumenteerde Eva zelfverzekerd, ‘We deden en aanvaardden alles omdat we gewoon niet beter wisten. Dat ik de manier waarop jij mij nu behandelt niet vind kunnen, wil zeggen dat die gewoonweg verkeerd is. Jij hebt nu ook die kennis van goed en kwaad dus jij weet even goed als ik dat jouw gedrag onaanvaardbaar is. En toch blijf je jezelf goedpraten. Echt laag van je, weet je dat?’
‘Moet ik nu onder de indruk zijn, of zo? Wat je ook van de situatie vindt, er is niks dat je eraan kan doen. Ik ben namelijk niet van plan om van onze gewoontes af te wijken. Ze hebben altijd al gewerkt, dus het heeft geen zin om ze opeens te veranderen. En zonder mij ben je toch niks, dus je hebt geen andere keuze dan bij mij te blijven en te doen wat ik zeg.’
Eva kon niet verbergen hoe belachelijk ze de beweringen van Adam vond en snoof: ‘Geloof je dat nu echt zelf? Denk je dat ik jouw taken niet zou kunnen overnemen? Ik heb hier ons hele leven voor ons gekookt, onze woonplaats schoongehouden, water gehaald en voor mezelf gezorgd terwijl jij de hele dag weg was op zoek naar eten om dan met misschien drie stukken fruit en een konijn te komen opdagen. Ik heb jou echt niet nodig om te overleven, hoor. En ik zal het bewijzen ook! Ik ga nu ver weg van hier in de hoop dat ik jouw arrogante bek nooit meer hoef terug te zien.’
Eva wierp nog snel een pijnlijke blik op het vijgenblad voor het kruis van Adam en zei: ‘Trouwens, je had echt een veel kleiner blad kunnen nemen, hoor. Ik heb al gezien wat erachter zit en zo indrukwekkend is het echt niet.’
Terwijl Eva Adam de rug toekeerde verdedigde die laatste zich: ‘Ik ben letterlijk de enige man op aarde. Er is niemand waarmee je zou kunnen vergelijken!’
‘Ik heb al paarden gezien!’ schreeuwde Eva op haar beurt terwijl ze Adam meters achter zich en met zijn mond vol tanden achterliet.

Dagenlang bleef Eva alleen wandelen door groene velden, sombere moerasgebieden en dicht opeengepakte wouden. Ze bleef nooit ergens langer dan een nacht ter plaatse, want ze wilde zo ver mogelijk van Adam verwijderd zijn. Ze had zichzelf bewezen dat ze zich wel degelijk kon redden zonder die personificatie van arrogantie aan haar zijde: ze vond volledig zelfstandig eten en drinken, kon zelf vuur maken om het voedsel te koken en had zelfs een voorwerp gemaakt waarmee ze zichzelf uitstekend kon verdedigen tegen roofdieren, maar waarmee ze ook kon jagen. Het was een lange stok met aan het uiteinde een zelfgeslepen steen gebonden. Ze noemde het projectiel een speer. Dankzij haar vindingrijkheid en haar wilskracht had ze die dagen zonder Adam niet één keer honger of dorst geleden. De eenzaamheid begon wel haar tol te eisen. Hoe lomp Adam ook was, door hem had Eva wel iemand om mee te praten, al was het maar om hem te zeggen hoe hard ze hem haatte. Door zijn stomme stoot kon ze niet meer communiceren met de dieren. Aangezien ze hen onmogelijk kon geruststellen dat ze hun geen kwaad wilde doen als ze hen benaderde, liepen ze dan ook allemaal angstig weg. Toen Eva aan een waterbron neerhurkte om ervan te drinken, zag ze in de reflectie van het water de blauwe hemel en bedacht zich plots dat ze wel degelijk iemand had om mee te praten.
Eva vouwde haar handen samen en sprak de woorden: ‘Onze vader die in de hemelen zijt,’ waarna een stem haar antwoordde.
‘Welkom bij het hoofdkwartier van de hemel. Meneer De Schepper is momenteel niet beschikbaar. Gelieve een ogenblik te wachten.’
De boodschap werd gevolgd door engelengezang dat een paar minuten aanhield. Eva vond het wel mooi, maar wilde toch graag zo snel mogelijk met God spreken. Toen ze haar geduld echt begon te verliezen, hield het gezang eindelijk op en sprak een warme stem Eva aan.
‘Hallo, met God. Hoe kan ik u helpen?’
‘Ja euh, het is met Eva’
‘Ah mannin, komt gij eindelijk vergiffenis vragen voor uw zonden, mijn kind?’
‘Euh, ’t is te zeggen … Ik vind niet dat ik mij echt hoef te verontschuldigen, want ik wist helemaal niet dat die appel van de verboden boom kwam. Adam had mij erin geluisd. Ik kom u eigenlijk om een gunst vragen …’
‘Zie ik eruit als een slaaf, mannin?’ antwoordde God weinig onder de indruk.
‘Wel, ik weet helemaal niet hoe u eruitziet om eerlijk te zijn. En ik weet ook niet goed wat u bedoelt met het woord slaaf, eigenlijk.’
‘Och juist, slavernij komt er pas over een paar duizend jaar. Dom van me. Hoe dan ook, ik geef niet zomaar gunsten aan de eerste de beste zondaar. Pas als u vergiffenis wordt verschaft, zal ik zien wat ik voor u kan doen.’
Eva beet even geërgerd op haar tanden maar besefte dat het geen zin had om met een alwetend en almachtig wezen in discussie te treden, dus schoof ze even haar trots aan de kant en deed wat van haar gevraagd werd: ‘Vergeef me, vader, want ik heb gezondigd. Ik had uw bevel moeten opvolgen en niet van die appel mogen eten. Het spijt me.’
‘Uw zonden zijn vergeven, mijn kind,’ sprak God vervolgens, ‘Vertel mij, wat wilt gij nog van mij bekomen? Wilt ge toevallig weer herenigd worden met Adam?’
Eva schudde glimlachend met haar hoofd voor ze Gods vermoeden ontkende: ‘Nee nee, absoluut niet. Ik wou eigenlijk vragen of u geen tweede Adam kon scheppen, maar dan, u weet wel, minder lomp en iets attenter.’
God vond het gedrag van de mensen op aarde gewoonlijk bijzonder interessant, maar voelde zich ronduit beledigd door de woorden van de mannin.
‘En waarom denkt gij het recht te hebben om kritiek te geven op mijn creaties? Ik schep helemaal niets meer. Ik ben tevreden over mijn schepsels en dat is het enige wat telt. Zodra gij geschapen waart, werdt ge samen met Adam verantwoordelijk voor het voortbestaan van uw soortgenoten, net als alle andere levende wezens. Niet ik, maar gij moet nieuwe mensen voortbrengen.’
‘En hoe zou ik dat dan wel moeten doen?’ vroeg Eva, voor wie dit volledig nieuwe informatie was.
‘Dat is dus waarom gij en Adam weer bij elkaar moeten komen. Adam heeft in zijn teelballen namelijk het zaad waarmee hij een eicel in uw baarmoeder moet bevruchten. Dan zal in uw baarmoeder een minimens groeien, die na negen maanden uw lichaam zal verlaten. Samen met Adam dient gij die op te voeden en alles te leren wat gij weet, opdat hij zich ook kan voortplanten en zijn kennis kan overdragen aan zijn kinderen zodra hij volgroeid is.’
Eva kon maar met moeite haar lach verbergen toen ze de onredelijke verwachtingen van God aanhoorde.
‘Wat jij ook doet of zegt, ik ga echt niet terug naar dat pretentieuze leeghoofd. En jouw verhaal stopt trouwens als die minimens uit mijn lichaam is. Dan zijn we met drie en wat dan? Dan is de voortplanting van de mens toch nog altijd niet gegarandeerd?’
‘Wees maar gerust, mijn kind. Ik heb een plan en dat plan zal hoe dan ook uitgevoerd worden. Ik weet nog niet precies hoe, maar ik weet wel dat het zal gebeuren. Voor u had ik bijvoorbeeld aan drie kinderen gedacht: drie zonen die gij en Adam zelf een naam zullen geven. Zij zullen op hun beurt verantwoordelijk zijn voor de voortplanting van hun soort.’
‘Ja maar God, zie je nu zelf het probleem niet? Als ik maar drie kinderen krijg, die allemaal mannen zullen worden, dan stopt het voortbestaan van de mens daar toch ook? Een man heeft het zaad en de vrouw heeft de eicel. Mannen kunnen elkaar dan toch helemaal niet bevruchten? Er zitten toch echt serieus wat gaten in jouw verhaal, hoor!’
Hoe meer logische argumenten Eva aanhaalde om het plan van God te bekritiseren, hoe woedender de schepper werd. Zijn ego werd geschaad door een zwakke, sterfelijke aardling! Waar haalde zij eigenlijk het lef vandaan?
‘En hoe zou dat kind mijn lichaam eigenlijk moeten verlaten?’ ging Eva verder.
‘Via uw vagina,’ antwoordde God kort, hoorbaar geïrriteerd door het eeuwige geratel van de mannin.
Eva hief even haar onderste vijgenblad op en keek daarna bedenkelijk naar de hemel.
‘En hoe groot is dat kind dan ongeveer?’ wilde ze vervolgens weten.
‘Tja, ongeveer zo groot als uw romp, of zo.’
Eva trok grote ogen op.
‘Excuseer?’ reageerde ze verontwaardigd, ‘Dat is toch een grap, mag ik hopen? Hoe zou iets van die grootte ooit door zo’n kleine opening moeten raken?’
‘Twijfel toch eens niet zo aan mij!’ gromde God razend, ‘Ik weet heel goed waar ik mee bezig ben! Die bevalling zal wel degelijk lukken. Ge zult misschien uw schaambeenvoeg breken of de vagina kan een beetje scheuren, maar uw kinderen zullen ter wereld worden gezet en dat is wat telt.’
‘Vergeet het maar!’ protesteerde Eva, ‘Je denkt nu toch echt niet dat ik nog van plan ben om drie kinderen te baren als dat de gevolgen zijn? Dat de mensheid dan maar uitsterft! Wat kan mij het schelen?’
God zuchtte geërgerd.
‘Misschien hebt ge wat extra motivatie nodig,’ zei hij toen hij een lichte aanpassing aanbracht aan het lichaam van de mannin.
Plots voelde Eva een krampachtige pijn in haar onderbuik terwijl ze iets langs haar been naar omlaag voelde stromen. Toen Eva naar beneden keek, merkte ze dat het een bloedstraal was die onder haar onderste vijgenblad ontsprong.
‘Wat heb je met mij gedaan?’ vroeg ze verbijsterd.
‘Ervoor gezorgd dat ge uiteindelijk wel aan kinderen zult beginnen,’ luidde het antwoord van God, ‘Elke maand dat gij beslist om geen kind te baren, zult gij bloeden. Dat bloeden zal doorgaans gepaard gaan met pijn en een stemmingswisselingen. Ge kunt die kwalen voorkomen door zwanger te worden. Dan zijt ge er negen maanden vanaf.’
Nog voor Eva kon protesteren, snoerde God haar meteen de mond.
‘Zwijg, mannin. Ik heb even iemand anders aan de lijn.’
Terwijl Eva zich mokkend stilhield, beantwoordde God het andere gebed dat net binnenkwam.
‘Hallo, met God. Hoe kan ik u helpen?’
‘Hey padre! Alles goed, kerel?’ klonk de stem aan de andere kant van het gebed.
‘Hey Adam,’ antwoordde God enthousiast, ‘Ja ja, alles goed hier. Enfin, ik heb hier wel uw mannin aan de lijn, dus dat is wat minder. Ge hebt echt niet gelogen toen ge zegde dat ze nogal kon zeuren!’
‘Tegen wie zeg je ‘t!’ bevestigde Adam de bewering van God, ‘Maar goed dat ik haar al een tijdje niet meer heb moeten zien, want veel langer had ik het niet uitgehouden met haar. Zeg, ik bid eigenlijk om je nog eens te bedanken voor het eten dat je voor mij hebt achtergelaten. Ik ga er net aan beginnen en het ziet er echt heerlijk uit!’
‘Excuseer?’ schreeuwde Eva, die nog altijd last had van krampen maar het bloeden al had kunnen tegenhouden door schapenwol onder haar vijgenblad te stoppen, ‘Jullie beseffen toch wel dat ik jullie kan horen, hè?’
Dat weten we dan ook weer, dacht God in zichzelf. Hij wist nu dat hij dringend zou moeten kijken hoe hij gebeden meer privé kon maken, want het was natuurlijk niet de bedoeling dat iedereen zomaar kon meeluisteren.
‘Ik kan niet geloven dat je hem zomaar eten geeft terwijl je wist hoe hard ik heb moeten werken en zelfs heb moeten vechten om mezelf te voeden,’ zei Eva verontwaardigd, ‘Het is duidelijk wie jouw favoriet is!’
‘Ach, gij hebt heel goed voor uzelf gezorgd,’ antwoordde God, ‘Ge hadt mijn hulp helemaal niet nodig. Adam daarentegen liet zijn eten aanbranden, vergat zijn vuur te doven of ruimde zijn etensresten nooit op, waardoor hij roofdieren aantrok. Ik kon hem moeilijk aan zijn lot overlaten, anders zou hij sterven.’
Eva was zeker niet verrast door de stomme stoten van haar mannelijke evenbeeld, maar vond die redenen nog niet voldoende om hem meer voordelen te gunnen.
‘Het gaat mij om het principe,’ hield ze vol, ‘Ik snap niet dat jullie dat niet inzien. Ik bedoel, wij beschikken alle drie over de kennis van goed en kwaad en toch ben ik de enige die begrijpt dat de manier waarop jullie mij behandelen niet oké is. Dat kan toch niet?’
Plots kreeg Eva een openbaring. Met grote ogen liet ze het inzicht waartoe ze net gekomen was bezinken.
‘Tenzij … Wauw. Weet je, God, toen ik net van de verboden vrucht had gegeten, was het me nog niet meteen opgevallen dat het niet eerlijk was hoe Adam mij de dagen ervoor altijd al had behandeld als zijn dienstmeid. Dat besef kwam later pas. Net zoals in de eerste seconden nadat we de kennis van goed en kwaad hadden gekregen, ik zonder na te denken niet alleen mijn vagina, maar ook mijn tepels bedekte. En vreemd genoeg vond ik het normaal om Adam met maar één vijgenblad te zien rondlopen, terwijl ik er drie moest dragen. Maar dat kwam misschien omdat ik alleen nog maar jouw visie van goed en kwaad had binnengekregen, God. Klinkt wel logisch, want jij was het die die boom daar had geplaatst, dus kon hij onmogelijk iemand anders zijn visie van goed en kwaad bevatten.’
Gefascineerd hoorde God de epifanie van Eva aan. Wat bedoelde zij nu met andermans visie van goed en kwaad? God had alles geschapen, waaronder de begrippen goed en kwaad. Hoe kon er dan afgeweken worden van zijn eigen visie daarover?
Eva ging verder: ‘Volgens mij heeft het gewoon even geduurd voor ik mijn eigen beeld kon vormen van wat goed en kwaad is, en zodra ik dat deed pikte ik Adam zijn gedrag niet meer. Daarom zien jullie geen probleem met het onrecht dat jullie mij aandoen en ik wel: er bestaat helemaal niet zoiets als een universele moraal.’
De schepper had zeker niet verwacht dat de kennis van goed en kwaad aan een aardse soort verschaffen zulke aanzienlijke gevolgen met zich zou meedragen. Dat de wezens veel intelligenter zouden worden dan de andere schepsels op aarde had hij zeker wel gedacht, maar hij had nooit kunnen raden dat ze ook de relativiteit van wat goed is en wat niet zouden achterhalen. Dat was een concept waarvan God zelf niet eens op de hoogte was. En hij wist niet of hij het wel kon smaken dat Eva die relativiteit zo snel had ontdekt.
Na haar uitleg trok Eva zonder schaamte de twee vijgenbladeren die haar tepels bedekten van haar lichaam, waarna God verward vroeg waar ze nu in hemelsnaam mee bezig was.
‘Mijn gelijkwaardigheid aan de man opeisen,’ verklaarde Eva, ‘Jij bent niet de enige die hier dingen kan creëren, God. Ik heb net zelf iets nieuws op de wereld gebracht en ik noem het feminisme.’
Het experiment was duidelijk uit de hand gelopen. God moest snel ingrijpen, wilde hij een nog grotere opstand tegen hem voorkomen. Als het zo verderging, zou de mensheid nog kunnen denken dat ze niet meer onder God staat, of zelfs erboven! Voordat het respect voor hem nog meer in gevaar kwam, nam hij de nodige maatregelen. Ineens werd het volledig zwart voor de ogen van Adam en Eva. Ook hun gehoor verdween en rechtstaan lukte ook al niet meer. In een paar tellen vielen de twee mensen bewusteloos neer op de grond.

Eva opende verward haar ogen en zag een bijna verblindend witte leegte om zich heen. Ze zat neer in een gouden stoel, net als Adam, die vlak naast haar zat met dezelfde verwarde blik. Voor zich zagen de twee mensen een meters hoog bureau staan, met helemaal bovenaan een gigantische man met een lange grijze baard die op het duo neerkeek. Het was God.
‘Welkom in de hemel,’ sprak de schepper, ‘Ik heb u tijdelijk naar hier gebracht om u op de hoogte te brengen van nieuwe regels die alleen wezens met de kennis van goed en kwaad aangaan.’
Na die woorden liet God een blad perkament in de handen van Adam en Eva verschijnen, die het document vluchtig doorlazen. Er stond voornamelijk in dat alle creaties van God, materieel of immaterieel, gerespecteerd en geëerd moesten worden. God zelf moest ook voortdurend worden gerespecteerd en de mens moest erkennen dat hij onderdanig was aan zijn schepper. Verder bepaalde God dat alle geschreven verwijzingen naar Hem gemarkeerd moesten worden met een hoofdletter, zodat de mens zo nooit Zijn superioriteit zou vergeten. Tot slot stond er natuurlijk ook in dat zodra Adam en Eva weer op aarde waren, ze elkaar een nieuwe kans zouden geven en zich zouden voortplanten.
Weinig onder de indruk reageerde Eva: ‘En waarom zouden wij ons daaraan moeten houden?’
‘Omdat Ik ook bereid ben om toegevingen te doen,’ legde God uit, ‘Zoals de regels vermelden, zullen er geen creaties ongedaan worden gemaakt, maar Ik kan wel naar u luisteren om bepaalde dingen te verbeteren. Ik heb gemerkt dat gij niet zo tevreden zijt over alles, Eva. Als gij belooft Mijn regels te respecteren, wil Ik gerust wat aanpassingen doen die het leven van de mannin vergemakkelijken. Of van de man, want Adam mag uiteraard ook dingen verzoeken. Zeg maar wat ge veranderd wilt zien.’
‘Begin maar al met het woord mannin te bannen,’ sprak Eva haar eerste wens uit, ‘Ik wil een woord waarin het woord man nergens te vinden is.’
‘Oké dan,’ antwoordde God, ‘hadt gij zelf een woord in gedachten?’
Eva dacht diep na en glimlachte breed zodra ze een volgens haar sierlijk en eervol woord had gevonden.
‘Noem me een vrouw,’ reageerde ze voldaan.
‘Komt in orde. Verder nog iets?’
Eva bracht haar blik naar Adam. Als ze toch kon eisen wat ze wilde, kon ze evengoed van de gelegenheid gebruik maken om dat stuk onbenul te treiteren. Terwijl ze haar blik langs het gladde lichaam van Adam gleed, sprak ze haar tweede verzoek uit: ‘Ik wil dat mannen niet alleen haar hebben op hun hoofd, maar overal op hun lichaam, zoals apen. En dan vooral op ongemakkelijke plaatsen zoals onder hun oksels, in hun anus en rond hun penis. Maar zorg ervoor dat ze niet met zoveel haar geboren worden, anders weten ze gewoon niet beter. Laat het pas groeien als ze twaalf jaar zijn, of zo.’
God vond het wel een heel vreemd en bijzonder specifiek verzoek, maar liet haar wens toch uitkomen. Adams lichaam werd plots bedekt met fijne haren op zijn armen, benen, borst en rug. Onder zijn oksels en zijn vijgenblad groeide er dan weer een aanzienlijk dikker pak haar, wat de man absoluut niet beviel.
‘Zeg, gaat het een beetje?’ gromde Adam verwijtend naar Eva, ‘Als het zo zit, wil ik dat exact hetzelfde gebeurt bij vrouwen. Maar ze moeten zichzelf verplichten om al dat haar op hun lichaam te verwijderen. Altijd.’
Terwijl Adam gemeen grijnsde om wat hij net gewenst had, begon God al spijt te krijgen van Zijn belofte. Maar Hij wist dat Hij de mens niet zou kunnen overtuigen om Zijn nieuwe regels na te leven als Hij geen compromis sloot. Er verschenen dus gelijkaardige haren op het lichaam van Eva, die daar plots een enorme schaamte voor voelde. Als een gek begon ze een voor een de haren op haar benen te plukken. Aangenaam voelde dat niet, maar ze moest er gewoon vanaf raken. Als wraak deed Eva haar tweede verzoek ten nadele van Adam.
‘Ik wil dat vrouwen langer leven dan mannen. En ik wil dat er dodelijke ziektes ontstaan die alleen mannen kunnen oplopen.’
‘Dat is onredelijk!’ protesteerde Adam onmiddellijk.
‘Kalmeer, Adam,’ zuchtte God, die inzag dat deze onderhandeling een van Zijn slechtste ideeën ooit was, ‘Het verschil in levensverwachting zal maar een paar jaar bedragen en de nieuwe ziekte zal ook vrouwen kunnen treffen, maar op minder plaatsen. Ik noem hem kanker en naast zowat alle andere lichaamsdelen, zal hij bij vrouwen in de baarmoederhals kunnen voorkomen, en bij mannen in de teelballen en in de prostaat. Goed?’
‘Wat is de prostaat?’ wilde Adam weten.
‘Daar komt de mensheid wel achter zodra ze homoseksualiteit heeft ontdekt,’ luidde het antwoord van God.
Kwaad fronsend en met een scheef getrokken mond keek Adam naar Eva, die al de hele tijd haar beenhaar aan het plukken was.
‘Oké dan,’ antwoordde hij, ‘maar dan heb ik wel nog een verzoek.’
‘Ik had niet anders verwacht,’ zuchtte God terwijl Hij Zijn ogen rolde.
‘De wereld moet denken dat niet ik, maar Eva van de verboden vrucht heeft gegeten en zo alle onheil naar de wereld heeft gebracht,’ sprak Adam zijn volgende wens uit.
Door die woorden was de drang bij Eva om zich te ontharen plots voorlopig weg en ging ze in protest.
‘Excuseer? Ik ga echt de schuld niet dragen voor iets wat ik niet gedaan heb! En dat zou trouwens alleen maar meer mannen aansporen om vrouwen oneerlijk te behandelen. Dan worden wij die wezens die te dom zijn om simpele instructies te volgen; ik voel het al aankomen!’
‘Kalmeert gij ook maar, Eva,’ reageerde God ongeduldig, ‘Dat zou inderdaad een van de gevolgen zijn, maar wat als Ik u beloof dat over zesduizend jaar dat feminisme van u weer in opmars komt? Zelfs sommige mannen zullen zich feminist noemen. En bekijk het positief: als mensen geloven dat gij u hebt laten verleiden door die slang, zullen ze ook denken dat gij de mensheid de kennis van goed en kwaad hebt geschonken.’
Met enorm veel tegenzin gaf Eva toe, maar had natuurlijk nog een volgend verzoek als reactie op de wens van Adam. Ze zei dat echter niet luidop, maar schreef het neer op het stuk perkament waarop de nieuwe regels stonden, verfrommelde dat en gooide het naar God. Die las het en liet Eva met een knik weten dat het in orde kwam.
‘Mag ik het proberen?’ vroeg de vrouw vervolgens.
‘Doe maar,’ bevestigde God ongeïnteresseerd.
Benieuwd stapte Eva naar Adam toe, beval hem om op te staan uit zijn stoel en zodra ze tegenover elkaar stonden, trapte Eva zo hard als ze kon met haar voet tegen het vijgenblad van Adam. Toen die laatste zich kermend op de grond liet vallen, genoot Eva met volle teugen. De pijn die Adam voelde was onbeschrijflijk en kon hij onmogelijk vergelijken met om het even welke andere pijn die hij daarvoor ooit had gevoeld. Het leed bleef aanhouden en was zelfs tot in zijn buik te voelen. Die teef zou boeten, dacht Adam terwijl hij na enkele minuten weer rechtstond.
‘Ik wens dat vrouwen altijd op de pijnlijkst mogelijke manier stierven!’ riep Adam.
‘En ik wens dat mannen nooit gelukkig kunnen zijn in hun leven!’ reageerde Eva meteen.
‘Vrouwen moeten altijd vergaan van de honger en elke keer als ze iets doorslikken, neemt de honger alleen maar toe!’
‘Elke keer als mannen inademen, moet het voelen alsof hun lichaam van binnenuit helemaal verbrandt!’
‘Stop! Allebei!’ bulderde God terwijl Hij de hele hemel deed beven als gevolg van Zijn woede, ‘Ik wilde u de kans geven om uw leven beter te maken voor u, maar gij hebt Mij beiden wederom teleurgesteld. Ge moest u schamen! Die laatste verzoeken zullen worden genegeerd en gij zult terugkeren naar de aarde, waar gij u onmiddellijk zult voortplanten!’
‘En wat ga Je doen als we Jouw bevel negeren, Padre?’ daagde Adam zijn Schepper uit.
Daar kon God absoluut niet mee lachen. Hij zou Zijn twee grootste mislukkingen ooit meteen doen luisteren. Met een intimiderende blik keek Hij Adam en Eva aan, die allebei plots schreeuwend op de grond neervielen. De pijn die Adam daarnet in zijn kruis voelde, was als een liefdevolle knuffel in vergelijking met wat hij en Eva nu doormaakten. Elke cel in hun lichaam leed een verschrikkelijk ondraaglijke pijn die geen enkel wezen bekend was, zelfs God niet. Het voelde alsof hun lichaam volledig wegsmolt in vlammen heter dan die van de zon, en tegelijkertijd ook bevroor door een koude erger dan in het centrum van een ijsberg. Alsof hun ledematen een voor een van hun lichaam werden getrokken op een extreem langzaam tempo. Alsof hun huid laagje per laagje werd verwijderd met een roestige rasp. Alsof hun ogen met een rietje uit hun oogkassen werden gezogen. Schreeuwen lukte al niet meer. Daarvoor hadden ze te weinig adem. Het voelde aan alsof hun longen net lucht uitademden elke keer als ze naar adem hapten. Maar ook emotioneel was het een totale marteling: ze kregen de vreselijkste dagdromen te zien en voelden niets anders dan angst, verdriet, woede, schaamte en afkeer. Allemaal tegelijkertijd en allemaal tot het extreme. Ineens stopte de lichamelijke en mentale foltering. Adam en Eva hapten wanhopig naar adem en bleven op de grond liggen, hoestend, huilend, trillend.
‘Er zijn twee mogelijkheden zodra gij sterft,’ zei God kalm, ‘ofwel gaat gij een rustig, zorgeloos leven leiden in het hiernamaals en komt gij Mij vergezellen in de hemel, ofwel gaat gij naar de hel en zult gij voor eeuwig voelen wat gij net hebt doorstaan. Alles hangt af van uw acties op aarde: leeft gij volgens Mijn regels, dan verwelkom Ik u in de hemel. Doet gij dat niet, dan wordt gij tot het einde der tijden gefolterd in de hel. Ik stuur u nu terug naar de aarde. Ge weet wat Ik van u verwacht en wat u te wachten staat als ge Mijn verwachtingen niet inlost.’
Het duurde nog een paar dagen voor de zwaar getraumatiseerde mensen ook maar iets durfden te zeggen tegen elkaar, maar zodra ze beseften dat ze zo snel mogelijk op een goed blaadje moesten staan bij God, besloten ze hun haat voor elkaar te negeren en hun Schepper te vriend te houden. Gelukkig waren Adam en Eva niet tijdens hun leven op aarde, maar ze moesten wel doen wat God hun opdroeg als ze niet in de hel wilden belanden. Dat was ook wat ze meermaals aan hun vele kinderen duidelijk maakten tijdens hun opvoeding. Van Adam en Eva kwam er geen commentaar of rebellie meer tegenover God. De Schepper had Zich dan ook voorgenomen om de hel als standaarddreigement te gebruiken als de acties van de mens Hem niet aanstonden. Door angst te zaaien liet Hij Zich zo nog duizenden jaren gehoorzamen en kon Hij al die tijd tevreden naar Zijn speelgoedje kijken om Zich te entertainen. Experiment geslaagd.

Advertisements

One thought on “Groots geschapen

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s