Het geweten van een moordenaar – hoofdstuk 7

Lees het vorige hoofdstuk hier.

Hoofdstuk 7 – Russische roulette

Kamp Zonder Zonden, 1995 – Ochtenden waren al de hel voor Ruben, maar die haat nam alleen maar toe als hij zoals op Kamp Zonder Zonden op een onmenselijk uur ook nog eens moest verzamelen om te bidden, en naar een preek te luisteren waardoor iedereen aanwezig zich slecht voelde over zichzelf. Ruben kon zich niet voorstellen dat het kamp legaal was geweest als er op de brochure had gestaan wat het werkelijk was: een vreselijke plek waar kinderen van oerconservatieve ouders werden gebrainwasht omdat ze ‘anders’ waren. In plaats van die accuratere beschrijving werd de bedoeling van het kamp verbloemd als ‘een kans om samen God en zijn geloof te eren, en jongeren die hem de rug hebben toegekeerd weer op het juiste pad te brengen’. Inhoudelijk werd daarmee bedoeld dat de jongeren die hier aankwamen constant te horen kregen dat ze niet mochten zijn wie ze echt waren, dat ze door God op de proef werden gesteld en zich moesten bewijzen door vooral niet toe te geven aan hun zogezegd duivelse verlangens van pure lust. Net als alle andere jongeren op het kamp werd Ruben er door zijn ouders naartoe gestuurd om te ‘genezen’ van zijn homoseksualiteit. Als hij niet als heterojongen terugkeerde van het kamp zouden zijn ouders hem uit het huis sturen, hadden ze hem verzekerd. Bijgevolg was Ruben achter hun rug al enkele appartementen gaan bekijken waar hij na de afloop van het kamp terechtkon. Hoewel het nog onduidelijk was hoe hij de huur precies zou betalen, zou hij er wel uit raken, wist hij. Dat waren zorgen voor later, want nu moest hij vooral die eindeloos lange ochtendpreek van de priester weten te overleven.
‘Satan heeft jullie verleid,’ sprak de grijsaard zijn jonge publiek toe, ‘en jullie hebben aan zijn verleidingen toegegeven. Dat is natuurlijk niet onbegrijpelijk: op zo’n jonge leeftijd zijn jullie gemakkelijk beïnvloedbaar. God weet dat, dus zal Hij jullie vergeven als jullie op tijd weer het rechte pad kiezen.’
Ruben schudde geïrriteerd het hoofd terwijl hij verschillende mensen rondom zich met tranen in hun ogen een kruisteken zag slaan. Hoe kon iemand nu zo wreed zijn om tientallen jongeren tegelijkertijd te laten voelen dat er iets mis met hen was nadat ze zichzelf eindelijk hadden aanvaard voor wie ze waren?  De jongeman vlak naast Ruben leek dezelfde gedachte te delen als hij en draaide met zijn ogen. Toch nog iemand hier met gezond verstand, dacht Ruben toen hij de onbekende donkerharige jongen met helderblauwe ogen naast zich aankeek. Hij schatte hem ongeveer even oud en zag er zeker niet slecht uit.
‘De ziekte waar jullie nu aan lijden kan genezen worden,’ zette de priester zijn homofobe tirade voort, ‘De weg naar genezing zal niet simpel zijn: jullie zullen nog heel lang op de proef worden gesteld en lust verwarren met liefde. Maar onthoud dat God niet toevallig een man én een vrouw op de wereld heeft gezet. Dat is het beeld dat onze schepper over liefde had en het zou heel arrogant zijn om daar als mens van af te wijken.’
Naast de ochtendpreek weergalmde door de zaal het lichte gesnotter van de andere jongeren samen met hun stille schietgebedjes. Ruben beet op zijn onderlip om zijn woede te onderdrukken. Hij kon nog altijd niet geloven dat mensen nog zo bekrompen konden denken. Ze leefden in de jaren 90, verdomme!
De duidelijk ingestudeerde preek van de priester bleek nog lang niet afgelopen.
‘Waarom denken jullie dat de aidsepidemie in de jaren 70 is uitgebroken? Is er ook maar iemand onder jullie die gelooft dat het toeval is dat die ziekte er gekomen is? Want dan moet je wel heel naïef zijn! Aids is een straf van God om de immorele handelingen tussen homoseksuelen als jullie tegen te gaan. Bidden en om vergiffenis vragen is dus zeker niet genoeg. Uit jullie daden moet óók blijken dat jullie het pad van God willen volgen. En denk maar niet dat ook maar iets onopgemerkt blijft: de Heer ziet alles en kijkt dus ook toe als een van jullie met een andere sodomiet in immoreel, seksueel contact verkeert.’
‘En dan zijn wij pervers,’ mompelde de donkerharige jongen naast Ruben.
Ruben proestte zachtjes van het lachen.
‘Je zou bijna denken dat God zelf wat twijfelt aan Zijn geaardheid,’ antwoordde Ruben fluisterend.
De onbekende jongeman keek hem aan en gniffelde. Een van de toezichthoudende nonnen had hun geroezemoes opgemerkt en beval het duo met een strenge ‘ssssht’ om zich gedeisd te houden. Beide jongemannen beantwoordden de milde berisping met ooggerol en richtten hun blik opnieuw naar de priester.
‘Nogmaals, kinderen,’ adresseerde de geestelijke zich met zijn schijnbaar eindeloze tirade aan de jongeren voor zich alsof ze twaalfjarige pubers waren, ‘God is vergevingsgezind, dus als jullie nog eens onkuise, zondige gedachten hebben, weet dan dat Hij Zijn hand naar jullie zal uitreiken als jullie bereid zijn die te aanvaarden.’
‘Wacht, heeft die nu net gezegd dat God een handje wil toesteken als we aan het masturberen zijn?’ vroeg Ruben zachtjes.
De donkerharige jongen naast hem gniffelde opnieuw om Rubens opmerking en antwoordde: ‘Nu snap ik wel waarom zoveel mensen God roepen als ze klaarkomen.’
Beide jongemannen deden hun best om zo zacht mogelijk te lachen, maar die non had hen weer in het vizier en had hun gegniffel opnieuw gehoord. Geïrriteerd legde ze hen nogmaals het zwijgen op met een duidelijk hoorbare ‘ssssht’. Als reactie daarop richtte de donkerharige jongen met blauwe ogen zich met een serieuze blik naar de non en begon als een agressieve kat naar haar te blazen. Niet goed wetend hoe ze moest reageren voegde ze zich met een verwarde en tegelijkertijd verontruste gezichtsuitdrukking bij de andere nonnen achteraan in de zaal.
‘Wauw, die keek net alsof ze de duivel had gezien,’ fluisterde Ruben geamuseerd.
‘Ach, dat is een veel te groot compliment. Straks doe je me nog blozen,’ grapte zijn onbekende gesprekspartner op zijn beurt.
Misschien kon Ruben het daar wel nog naar zijn zin hebben nu hij iemand was tegengekomen die niet was als de naïeve, beïnvloedbare huilebalken rondom hem. Als hij het kamp wilde overleven, kon hij maar beter een vriend maken. Anders zouden het wel héél eenzame dagen worden.
‘Aangename kennismaking. Ruben Francken is de naam,’ stelde hij zich op een ironisch formele manier voor terwijl hij zijn gesprekspartner de hand reikte.
De blauwogige jongeman schudde Ruben glimlachend de hand en antwoordde op dezelfde ironisch formele toon: ‘Het is me een genoegen, Ruben Francken. Mijn naam is De Coninck. Daniël De Coninck.’

Universitair Ziekenhuis Brussel, 2018 – Het was al vier dagen geleden dat Elias het schokkende nieuws over de aanval op Denise had vernomen, maar door het ziekenhuisbeleid konden hij en Thomas haar pas vandaag bezoeken. De verplegers kregen na een tijdje zoveel medelijden met Denise die al dagenlang eenzaam op haar kamer zat zonder familiebezoek, dat ze het verbod op bezoek van niet-familieleden bij ernstige gevallen wisten te omzeilen. Op aanvraag van de patiënte zelf werden Elias en Thomas toch als familie aanvaard dankzij Denises meterschap over Alexander. De ziekenhuiskamer stond nog altijd onder politiebescherming omdat de bedreiging nog niet geweken was volgens de autoriteiten. Ze moesten eens weten hoe onbekwaam ze eigenlijk waren door de dader zomaar binnen te laten bij het slachtoffer. Dat Thomas zonder problemen kon binnenwandelen wanneer hij maar wilde betekende natuurlijk dat er nog geen sporen waren die naar hem leidden en dat hij dus niet op de verdachtenlijst stond. Wie Denise had aangevallen, was haar inderdaad nog een raadsel. Het zou naïef zijn om te denken dat haar bezoek aan Michael de dag ervoor er niets mee te maken had. Maar ze had hem uitdrukkelijk verzekerd dat ze niet naar de politie zou stappen met zijn bekentenis. Was hij dan niet overtuigd en voelde hij zich bedreigd? Waarom had hij dan bekend? Michael leek nochtans veel langer dan de man die haar had aangevallen. Natuurlijk had hij het geld om een huurmoordenaar in te schakelen, maar kon dat echt zo snel geregeld worden? Misschien moest ze gewoon op de politieagenten vertrouwen om haar belager te ontmaskeren in plaats van zelf haar hoofd erover te breken. Dat was tenslotte hun werk.
‘Denise, ik vind het echt verschrikkelijk wat jou is overkomen. Wie doet er nu zoiets?’ vroeg Elias zich luidop en vol ongeloof af terwijl hij op de rand van het bed van de patiënte zat.
‘Tja, dat is de grote vraag, hè,’ antwoordde Denise schijnbaar onverschillig, ‘Ze vinden hem wel. Ik ben gewoon al blij dat ik hier tegen het einde van de week weg mag. Ik word gek van hier niks te doen.’
Elias fronste bezorgd en reageerde: ‘Kan ik me voorstellen, maar hier ben je tenminste veilig. Als je hier weg bent, word je misschien nog eens aangevallen. Kan je niet beter bij ons blijven? We kunnen Alexander wel even bij ons in de kamer laten slapen en improviseren wel iets om een bed te maken dat dan in de kinderkamer kan komen. We zorgen dan dat er altijd iemand bij je is.’
Denise apprecieerde Elias’ bezorgdheid en goede wil, maar zag meteen in waarom dat plan niet zou werken.
‘Het is onder jullie appartementsgebouw dat ik werd aangevallen, weet je nog? Wie het ook is die mij dood wil, volgt mij duidelijk al een tijdje en kent mijn dagelijkse routine. Het heeft geen zin om onder te duiken want waar ik ook naartoe ga, hij zal het waarschijnlijk geweten hebben.’
Denise in huis was natuurlijk een beetje te mooi geweest om waar te zijn voor Thomas. Een slachtoffer doden zou nog nooit zo gemakkelijk zijn geweest, maar helaas was Denise slim genoeg om de gebreken van Elias’ goedbedoelde voorstel te doorzien. Thomas had zich de hele tijd afzijdig gehouden. Elias stelde zich daar geen vragen bij omdat hij wist dat zijn man het nooit had gehad voor ziekenhuizen. Elias dacht dat dat lag aan de deprimerende sfeer die zowat elke kliniek typeerde, maar eigenlijk lag de realiteit wel wat anders. Thomas had vooral een hekel aan ziekenhuizen omdat ze zijn missie in de weg stonden: zware criminelen uit de weg ruimen. Ze belemmerden zijn nobele werk dat niemand anders wilde verrichten door het leven van zelfs de grootste misdadigers te redden. Zo zou de wereld nooit een veilige plek kunnen worden voor zijn zoon en zijn echtgenoot. Nerveus door de ziekmakende omgeving prutste hij aan zijn zijden handschoenen. Hij had Elias wijsgemaakt dat hij die droeg uit smetvrees, maar in werkelijkheid wilde hij uiteraard niet dat Denise de bijtwonde zou zien die ze haar belager had toegebracht tijdens haar aanval. Denise is niet dom, dus zou ze natuurlijk meteen de link leggen als ze Thomas zag met een verband rond zijn hand. De waarschijnlijkheid dat Denise hem met hiv had besmet werkte ook niet bepaald geruststellend op het gemoed van Thomas. Hij had de ochtend nadat hij het nieuws had vernomen over Denises seropositiviteit meteen een hiv-test laten afnemen en zou pas over een paar dagen de resultaten krijgen. Als zou blijken dat hij besmet was met het virus, was de kans uiterst groot dat ook Elias seropositief was, en dat was nog het ergste van allemaal. Maar dat waren zorgen voor later. Nu moest Thomas vooral zeker weten dat Denise geen vermoeden had dat hij iets met de moorpoging te maken had.
‘Heb je de dader echt niet herkend?’ vroeg Thomas aan Denise alsof hij met haar inzat, ‘Is er ook maar iets dat je je kan herinneren dat de politie naar de dader zou kunnen leiden?’
Denise schudde het hoofd.
‘Nee, hij was gemaskerd en praatte ook niet. Ik heb alleen gezien dat hij bruine ogen had, maar dat hebben zoveel mensen. Wij alle drie bijvoorbeeld ook.’
De patiënte haalde even adem en probeerde zich zoveel mogelijk te herinneren.
‘Ik kan alleen nog zeggen dat hij een normale lengte had, ongeveer even groot als jij, Thomas. Dat is ook alles wat ik tegen de politie heb gezegd. Maar ja, begin maar eens naar een dader te zoeken als dat alles is wat je over hem weet.’
Elias nam Denises hand stevig vast.
‘Ze vinden hem wel. Daar moet je op vertrouwen,’ verzekerde hij haar.
‘Ik hoop dat je gelijk hebt,’ antwoordde Denise weinig hoopvol.
Plots voelde Thomas zijn gsm vibreren en zag dat Daniël hem ge-sms’t had. Dat had de leerkracht elke dag gedaan sinds hij en Thomas erachter waren gekomen dat Denise Michael en Charlotte was gaan opzoeken. Daniël wilde er zo achter komen hoeveel Denise wist en in welke mate zij een bedreiging vormde. Thomas had echter elk bericht genegeerd omdat hij nog niets met zekerheid kon zeggen. Nu hij wel wist hoeveel Denise zich herinnerde, was het tijd om Daniël op de hoogte te brengen en samen uit te zoeken hoe ze dit moesten oplossen.
‘Gaat het, schat?’ vroeg Elias die de gespannen blik van Thomas had opgemerkt.
‘Euh, ja hoor. Een oud-leraar van mij heeft onlangs contact met mij opgenomen om te vragen of ik mijn laatste boek wou voorstellen op mijn oude middelbare school en hij wil nog het een en ander bespreken. Sorry Denise, ik weet dat dit ongepast is maar zou je ’t erg vinden als ik …’
‘Nee, ga maar,’ onderbrak Denise hem, ‘Ik begrijp het volledig, je hoeft je zeker niet schuldig te voelen.’
Denise wilde vooral even alleen zijn met Elias, omdat ze hem gewoon beter kende en dus meer met hem kon bespreken als Thomas er niet bij was. Thomas kuste Elias en Denise op de wang als afscheidsgroet en begaf zich naar de deur. Onderweg daarnaartoe stootte hij hard zijn been tegen het bed en vloekte van de pijn: ‘Auw, fuck!’
Opeens werd Denise overvallen door een déjà vu-gevoel. Was dat niet wat haar belager ook zei toen ze hem in de hand beet? Die toon, dat volume, die lengte, die korte pauze voor de ‘fuck’ … Nee, dat kon gewoon niet! Ze wilde de dader gewoon zo graag vinden dat ze alles aan die aanval zou kunnen linken. Toch? Thomas had Denises grote ogen opgemerkt en antwoordde met een lichtjes nerveuze glimlach, waarna hij de kamer verliet.
‘Denise, alles oké?’ vroeg Elias aan wie de ontruste blik van zijn goede vriendin niet ontgaan was.
‘J-ja … Niks aan de hand. Hoe gaat het eigenlijk met jou?’ veranderde ze van onderwerp, ‘Al naar ander werk op zoek?’
‘Ik ben nog wat aan het rondkijken. Ik wil vooral niet te snel een beslissing nemen. Straks eindig ik weer ergens waar ik gewoon met de minuut ongelukkiger word.’
Denise maakte haar gesprekspartner knikkend duidelijk dat ze het volledig met hem eens was.
‘En met jou, Denise? Slaat de nieuwe behandeling aan?’ wilde Elias weten.
‘Ja, de medicatie helpt en mijn ademhalingsstelsel herstelt zich langzaamaan,’ bevestigde de aidspatiënte, ‘Ik heb al twee dagen geen bloed meer opgehoest.’
Elias glimlachte opgelucht. Toch nog goed nieuws, dacht hij.
‘Bedankt om de behandeling voor mij te betalen, Elias,’ uitte Denise haar oprechte dankbaarheid, ‘Maar nog eens, als het niet meer gaat laat het dan weten. Ik zou niet willen dat jij en Thomas in financiële moeilijkheden komen door mij. Zeker nu jij geen werk meer hebt …’
‘Het lukt ons wel, Denise. Maak je maar geen zorgen.’
‘Weet Thomas eigenlijk dat jullie mijn behandeling betalen?’
Door Elias’ stilte werd de vraag van Denise meteen beantwoord.
‘Jij houdt blijkbaar wel graag het een en ander achter voor je man, hé?’ zei Denise eerder teleurgesteld dan verwijtend.
‘Thomas hoeft dat helemaal niet te weten; jou helpen was mijn beslissing, niet de zijne. En ik weet dat je met die opmerking op nog iets anders mikte, Denise. En nee, ik wil het er niet opnieuw over hebben. Ik hoop dat je dat als mijn goede vriendin kunt respecteren.’
Denise schudde afkeurend het hoofd en antwoordde ernstig: ‘Als jouw goede vriendin ga ik er juist wel over beginnen omdat je moet beseffen dat je gevaarlijk bezig bent, Elias. Je weet dat ik er niet op zou blijven hameren als ik dacht dat die pillen echt ongevaarlijk waren. Als je je dokter en je psychologe niet wil geloven, geloof mij dan alsjeblieft wel.’
‘Geloof mij als ik zeg dat ik weet wat ik doe,’ hield Elias koppig vol.
‘Elias, ik heb niet veel mensen van wie ik evenveel vriendschap krijg als van jou. Er zijn zelfs mensen die mij gewoon dood willen. Ik kan jou niet verliezen, echt niet. Anders heb ik niemand meer. Dus ik smeek je om die pillen alsjeblieft weg te gooien. Alsjeblieft.’
Elias werd helemaal stil van Denises rakende smeekbede terwijl een traan zich in zijn ooghoek vormde. Hij had nooit gedacht dat hij ooit zoveel voor iemand kon betekenen. De jongvolwassen man slaakte een diepe zucht en gaf uiteindelijk knikkend toe.
‘Oké, ’t is goed. Geen pillen meer, ik beloof het.’
‘Dank je,’ fluisterde Denise.
Elias nam Denise vast in een stevige, vriendschappelijke knuffel en beëindigde zo de discussie.

Kamp Zonder Zonden, 1995 – ‘Ugh, nog één zo’n Bijbellezing en ik doe mezelf iets aan,’ klaagde Daniël terwijl hij de badkamervloer een grondige schrobbeurt gaf.
Door hun herhaaldelijk tegendraadse houding tijdens de lezingen en therapiesessies moesten Daniël en Ruben elke dag het domein schoonmaken. Zodra de jongemannen bereid waren mee te werken, zou die straf worden opgeheven. Ze waren beiden echter te sterk van geest om hun principes aan de kant te schuiven voor wat religieus extremisme, en grepen maar al te graag elke kans die ze kregen om niet mee te hoeven doen aan de activiteiten. Het was trouwens veel te leuk om die homofobe geestelijken en therapeuten voor de gek te houden. Geen haar op hun hoofd dat eraan dacht om hun enige plezier dat ze op dat waanzinnige kamp konden beleven op te geven.
‘Tja, stel dan maar al je testament op want ‘t kamp is nog maar halfweg,’ zuchtte Ruben die ondertussen de spiegels poetste.
“Ik snap het gewoon niet,” sprak Daniël op zijn beurt, “Denken ze nu echt dat zo’n bekeringskamp effect heeft? Ik bedoel, is er ook maar één gast geweest die deze plek heeft verlaten en geschreeuwd: ‘Joepie, ik zie graag vagina’s nu!’ Dat kan toch gewoon niet?”
Ruben proestte even door Daniels ongegeneerde opmerking.
‘Ik denk eigenlijk dat heteromannen enthousiaster zijn over borsten dan over vagina’s,’ antwoordde hij.
‘Ja duh,’ reageerde Daniël, ‘maar daar hoef je als man ook niet hetero voor te zijn. Iedereen vindt borsten geweldig. Heterovrouwen vinden hun borsten ook geweldig.’
‘Ja oké, borsten zijn inderdaad wel geweldig,’ moest Ruben toegeven nu hij erover nadacht.
Daniël gniffelde even en opende een van de wc-hokjes om ook daar te beginnen schrobben. Toen hij naar boven keek viel hem op dat er een hoek van een pagina van onder een plafondtegel uitstak. Nieuwsgierig ging hij op de wc-bril staan en tilde de tegel omhoog om te zien wat er zich in het plafond verborg.
‘Jackpot!’ riep Daniël enthousiast toen hij een erotisch homoblad uit het plafond haalde en aan Ruben liet zien.
‘Jack-offpot!’ antwoordde Ruben toen hij het tijdschrift met een halfnaakte man op de cover zag.
‘Van wie zou het zijn denk je?’ vroeg Daniël, ‘Oh, ik hoop dat het van de pastoor komt! Hoe geweldig ironisch zou dat zijn?’
‘Hmmm nee, die zou dat gewoon in zijn bureau houden. Maar het is me wel al opgevallen dat Brian altijd in dat hokje naar de wc gaat, en niet voor twee minuten of zo.’
Daniël schaterde in ongeloof.
‘Die gast met zijn middenstreep die altijd tegen zichzelf praat? Zalig!’
‘Ja, hè?’ schaterde Ruben het ook uit, ‘Soms wil ik gewoon eens antwoorden als hij weer zo’n diepgaand gesprek met zichzelf heeft.’
‘Oké, maar we mogen die jongen eigenlijk niet uitlachen,’ grinnikte Daniël, ‘Ik praat soms ook tegen mezelf.’
‘Echt?’
‘Tuurlijk! Er is niemand zo interessant als ik, dus waarom zou ik mezelf dan het plezier ontnemen om met mezelf te praten?’
‘Ach zo, dus ik ben niet interessant genoeg?’ plaagde Ruben.
‘Jij komt op een mooie tweede plaats,’ antwoordde Daniël met een knipoog.
‘Wauw, nu voel ik me wel vereerd, moet ik zeggen.’
Daniël en Ruben glimlachten even naar elkaar, gevolgd door een korte stilte. Ze kenden elkaar nog maar een paar dagen, maar zo voelde het helemaal niet. Je hoefde geen relatiedeskundige te zijn om te zien dat zij twee een connectie hadden. Ze vertoefden graag in elkaars gezelschap en hoewel elk gesprek tussen hen beiden een genoegen was, voelde het niet ongemakkelijk aan als er eens een stilte viel. Zo’n stilte was dan ook niet iets wat zo snel mogelijk verholpen moest worden, maar eerder een natuurlijk gevolg van een aangenaam gesprek.
Toen Daniëls blik weer op het pikante tijdschrift in zijn handen viel, besloot hij dat hij het niet zomaar terug in het plafond kon verbergen.
‘Ik vind wel dat we hier iets mee moeten doen,’ zei hij tegen Ruben, ‘We kunnen hier zoveel grappen mee uithalen!’
Ruben dacht even na en antwoordde: ‘Ik weet wel iets. Tijdens het avondgebed is iedereen in de polyvalente zaal. We gaan dicht bij de deur van de gang zitten zodat we daar snel en onopgemerkt kunnen wegsluipen. In het kantoor van pastoor Frank slaan we toe.’
Daniël knikte en luisterde benieuwd verder naar het vervolg van Rubens plan.   

Een paar uur later verzamelde iedereen in de polyvalente zaal om aan het gezamenlijke avondgebed te beginnen. Zoals afgesproken hadden Ruben en Daniël allebei net naast de deur van de gang plaatsgenomen, maar een van de nonnen blokkeerde de doorgang. Ruben gebaarde naar Daniël dat dat een probleem was en dat ze haar snel moesten overtuigen om ergens anders te gaan staan, voor iedereen aan zijn gebed begon. Daniël stelde zijn nieuwe vriend met een knipoog gerust, stond op en benaderde de streng kijkende non.
‘Ga eens snel weer zitten,’ beval de non fluisterend.
‘Sorry mevrouw, maar ik vind dat ik u op de hoogte moet brengen van het onzedige gedrag dat zich hier afspeelt tussen twee jongedames.’
Met een nieuwsgierige blik gaf de non te kennen dat Daniël zich nader moest verklaren.
‘Ziet u Ella en Iris daar bij de uitgang zitten? Die twee gaan toch verdacht veel met elkaar om, vind u ook niet? Ik heb van iemand horen zeggen dat ze tijdens het gebed stiekem de zaal willen verlaten om buiten in onkuis gedrag te verkeren, als u begrijpt wat ik bedoel. Ik zou die twee dus maar wat in het oog houden als ik u was.’
De non knikte en antwoordde: ‘Bedankt voor de tip, jongen.’
De zwart-witgeklede vrouw gaf Daniël een schouderklopje en stapte naar de uitgang aan de andere kant van de zaal. Daarna nam Daniël weer plaats naast een grijnzende Ruben. Toen niet veel later het gebed werd aangevangen, keken de twee ondeugende jongeren even rond en zagen dat iedereen, ook de gewaarschuwde non, met gesloten ogen aan het bidden was. Volgens plan maakten Ruben en Daniël van de gelegenheid gebruik om de deur naast hen stiekem te openen en de zaal uit te sluipen. Eenmaal op de gang haastte het duo zich naar de deur van het kantoor van de priester op het einde van de gang. Daar aangekomen ging Ruben gehurkt voor het sleutelgat zitten en haalde een paperclip uit zijn zak, waarop Daniël met gefronste wenkbrauwen reageerde.
‘Dat werkt toch alleen in films!’ fluisterde hij terwijl Ruben met het stukje buigbaar metaal de deur probeerde te openen, ‘Ik dacht dat je wel een sleutel zou bemachtigd hebben.’
Ruben negeerde de opmerking van Daniël en probeerde rustig verder om het slot open te krijgen.
Daniël was er echter niet gerust in en panikeerde lichtjes: ‘Komaan Ruben, we verliezen te veel tijd. Straks worden we nog gepakt! Laten we nu gewoon terug naar de anderen gaan.’
Na een paar seconden was er een klik te horen. Zelfverzekerd duwde Ruben de klink naar beneden en opende moeiteloos de kantoordeur.
‘Regel 1 van een vriendschap met Ruben Francken: onderschat Ruben Francken niet,’ zei Ruben met een zelfvoldane grijns.
Lachend schudde Daniël met zijn hoofd terwijl de twee kwajongens het kantoor binnentraden en de deur op slot deden.
‘Heb je ’t bij je?’ vroeg Ruben aan Daniël, waarna die laatste het erotische tijdschrift van onder zijn trui tevoorschijn haalde.
‘Super,’ reageerde Ruben, ‘Leg het maar op ‘t bureau, dan zoek ik een schaar en lijm.’
Daniël plaatste het magazine op het eikenhouten bureau en wierp zijn blik op het kleine rechtopstaande fotokader naast de beige computer van de priester. Uit het kader haalde hij een foto, waarop de streng katholieke man zelf stond afgebeeld.
‘Ik heb een foto gevonden!’ liet hij Ruben weten die in een bureaulade een schaar en een lijmstift had gevonden.
‘Ik wist wel dat die narcistische eikel een foto van zichzelf zou bewaren,’ zei Ruben vol afkeer, ‘Goed, tijd om over te gaan naar de volgende fase.’
Ruben bladerde vluchtig door het homomagazine op zoek naar een geschikt model terwijl Daniël het hoofd van de pastoor uit de foto knipte.
‘Te bleek, te jong, te donker … Wacht, hier past zijn gezicht misschien wel op!’
Daniël bestudeerde de brede, behaarde man die Ruben aanduidde.
‘Goh, ik weet het niet. Is die niet wat te gespierd?’ betwistte hij Rubens keuze, ‘We willen hem nu ook geen compliment gaan geven, of wel?’
‘Nee, maar deze heeft wel een kleine penis,’ motiveerde Ruben zijn voorkeur.
‘Ja oké, touché. Goed, we pakken die wel.’
Na die woorden lijmde Daniël het afgeknipte hoofd van de pastoor op het naakte lichaam van het model.
‘En, wat vind je?’ vroeg hij aan zijn handlanger.
‘Een meesterwerk, Danny.’
‘Danny?’ grinnikte Daniël, ‘Is dat je nieuwe bijnaam voor mij?’
‘Jup, ik heb er héél lang over moeten nadenken. Vind je ‘m mooi?’
‘Prachtig hoor, Ruby.’
Als reactie op de vrouwelijke bijnaam stak Ruben zijn tong uit en kwam daarna weer ter zake.
‘Het zou zonde zijn om zo’n meesterwerk voor onszelf te houden, vind je ook niet?’
‘Ik ga echt volledig akkoord,’ gaf Daniël zijn nieuwe vriend gelijk.
‘Aan jou de eer,’ bood Ruben aan terwijl hij naar het kopieerapparaat in de hoek van het kantoor wees.
Met een knik en een glimlach beantwoordde Daniël het gulle aanbod, stapte met het erotische tijdschrift naar de machine en legde de bewerkte foto op het glas.
‘Hoeveel keer drukken we onze creatie af?’ vroeg Daniël.
Zonder een woord te zeggen toetste Ruben het getal ‘999’ in en startte het apparaat.
‘Ik ben gewoon benieuwd hoelang het duurt vooraleer de inkt op is,’ verklaarde hij het hoge aantal.
Daniël en Ruben bewonderden de opeenstapelende kopieën waarin hun primitieve fotoshopvaardigheid tot uiting kwam. Het lawaai van het kopieerapparaat was zo luid dat Daniël het gepraat van op de gang bijna niet had opgemerkt. Op zijn hoede haastte hij zich naar de deur en opende hem op een kier om te kijken waar het geluid vandaan kwam. Net aan de hoek van de gang zag hij hoe de pastoor flirterige opmerkingen maakte met een van de nonnen. Toen de non haar blik even van de priester afwendde, ontmoetten haar ogen die van Daniël.
‘Hela, jij mag daar helemaal niet zijn!’ riep de non streng, waarna Daniël de deur snel dichtsmeet.
‘Fuck, we zijn betrapt!’ waarschuwde hij Ruben, die ongerust rondom zich keek op zoek naar een uitweg.
‘Daar, het raam! Doe snel open en dan blokkeer ik ondertussen de deur!’
Daniël deed wat hem werd opgedragen en opende zonder al te veel moeite het raam, terwijl Ruben het iets moeilijker had om de deurklink naar boven te houden die twee mensen aan de andere kant tegelijkertijd naar beneden probeerden te duwen.
‘Snel, geef me die stoel!’ beval Ruben.
Gehaast gaf Daniël hem een stoel aan, die Ruben op zijn beurt onder de deurklink plaatste. Onder luid gebonk en geroep aan de andere kant van de deur nam Ruben vlug een paar exemplaren van de kopieën die zich nog steeds opstapelden en ontsnapte samen met Daniël door het raam op de gelijkvloerse verdieping naar buiten. Schaterend en juichend liepen de twee adolescenten richting het bos terwijl Ruben de seksueel getinte afbeeldingen in de lucht smeet en zo over het terrein verspreidde.

Villa Michael en Charlotte, 2018 – Terwijl Michael in de woonkamer met hun babyzoontje Kenji speelde, stond Charlotte voor de spiegelkast in haar slaapkamer oude kleren van voor haar zwangerschap aan te trekken. Hoe duidelijker het werd dat ze daarvoor nog niet genoeg gewicht had verloren, hoe meer Charlotte het gevoel had dat haar spiegelbeeld haar uitlachte. Het was alsof haar reflectie haar lichaam zodanig vervormde dat ze er veel molliger uitzag dan ze in werkelijkheid was. Hoe langer ze naar zichzelf keek, hoe geïrriteerder ze werd.
‘Fuck you!’ riep Charlotte de enige twee Engelse woorden die ze kende uit en trapte met haar blote voet tegen de spiegel, ‘Putain!’ schreeuwde ze vervolgens uit van de pijn. Dat was dan weer het enige Franse woord dat ze kende.
‘Zeg schat, doe eens kalm!’ riep Michael vanuit de woonkamer.
Door die woorden werd Charlotte alleen maar onrustiger.
‘Michael, nog nooit in de geschiedenis van de mensheid is iemand kalm geworden doordat een ander persoon heeft gezegd dat die moest kalmeren. Dus zeg niet dat ik moet kalmeren als je wil dat ik kalmeer!’
Michael zuchtte even, waarna hij Kenji in zijn Maxi-Cosi legde en de slaapkamer binnenstapte. Daar kwam hij een neerslachtige Charlotte tegen die op de vloer lag te snikken. Michael ging gehurkt naast haar zitten en nam haar hoofd zachtjes tussen zijn handen.
‘Hey, wat is er?’ fluisterde hij liefelijk.
‘V-vind je mij te dik?’ snotterde Charlotte.
Michael keek tegelijkertijd verrast en ontgoocheld op.
‘Wat? Nee, natuurlijk niet! Waar haal je dát nu weer vandaan?’
‘Blijkbaar vinden andere mensen van wel,’ zei Charlotte verslagen, doelend op de opmerkingen van haar dode manager.
Michael hield haar handen stevig vast en poogde haar moed in te spreken.
‘Luister eens schat, die haters op de sociale media zijn maar zielige nobody’s die hun eigen leven haten en daarom dat van anderen zuur maken. Het maakt totaal niks uit wat zij van jouw lichaam denken. Het maakt zelfs niet uit wat ik ervan denk. Wat er wél toe doet, is hij jij je zelf voelt. Dus, geef hierop eens antwoord: ben jij gelukkig?’
Charlotte zweeg even, haalde haar schouders op en antwoordde: ‘Ik weet het niet.’
Michael keek zijn vriendin strak aan en zei: ‘Ik weet wel dat jij mij gelukkig maakt. En een paar gram meer of minder gaat daar niks aan veranderen. Een beter lief dan jij kan ik me niet voorstellen, en dat meen ik. Besef dat goed, oké?’
Charlotte prees zich ontzettend gelukkig met een partner als Michael. Door zijn mooie woorden voelde ze zich dan ook des te schuldiger dat ze zoveel voor hem achterhield. Aan de andere kant was de kans dat hij haar zou verlaten natuurlijk immens als ze hem vertelde dat ze haar manager had gedood – ook al ging het per ongeluk – en dat ze daarbovenop Thomas Maes om hulp had gevraagd om de doodslag te verdoezelen. Het viel Michael meteen op dat Charlottes geest door nog andere demonen werd gekweld.
‘Gaat het wel?’ vroeg hij bezorgd.
Charlotte ontwaakte uit haar duistere dagdroom en antwoordde: ‘Ja hoor. ’t Is gewoon … Ik moet denken aan die politieagenten die hier een paar dagen geleden zijn geweest. Wat als alles toch aan het licht komt?’
In haar verklaring had Denise inderdaad laten vallen dat ze de dag voor haar aanval bij Michael en Charlotte thuis was geweest. Ze had er niet bij gezegd wat ze daar besproken hadden omdat ze er ergens wel vertrouwen in had dat zij niet achter de misdaad zaten, maar had gewoon eerlijk geantwoord op de vraag van de onderzoekers of ze in de laatste paar dagen contact had opgenomen met onbekenden. Niet veel later stond de recherche dan ook aan de deur van het beroemde koppel om een paar vragen te stellen en hun vingerafdrukken te laten afnemen.
‘Hey, die agenten zijn nog altijd niet teruggekeerd,’ stelde Michael haar gerust, ‘Dat wil zeggen dat ze hebben gezien dat onze vingerafdrukken niet overeenkomen met die van de dader en dat de ex van Vandenberghe niks heeft gelost over ons gesprek. Anders zaten we nu allemaal al lang in de bak. Maak je maar geen zorgen.’
‘Ja, maar toch,’ hield Charlotte vol, ‘Wat als Thomas er voor iets tussen zit?’
‘Wat zou hem dat nu opleveren? Ik bedoel, ik weet dat hij een gestoorde psychopaat is, maar volgens mij weet hij niet eens dat Denise bestaat.’
‘Wie zou er anders kunnen zijn met het motief en de wreedheid om een arme vrouw als zij te willen vermoorden? Ik weet het natuurlijk niet zeker, hè Michael, maar misschien is hij er toevallig ook achter gekomen dat Denise de vrouw was van Vandenberghe. De politie heeft vingerafdrukken en als ze ooit bij Thomas uitkomen, komt alles aan het licht. Dat weet jij even goed als ik.’
Michael wendde zijn blik even af van Charlotte en antwoordde na een korte stilte: ‘Oké, we zullen een nieuwe noodvergadering houden zonder Thomas. Goed?’
Charlotte knikte quasiopgelucht, maar haar oneerlijkheid knaagde nog altijd aan haar geweten.
‘Hey, Michael … Wat zou je doen als ik het was?’ vroeg het model voorzichtig.
‘Wat bedoel je?’
‘Welja, wat zou je doen als ik de dader was?’
Michael lachte even ongelovig en nam een ernstig gezicht aan toen hij begreep dat zijn vriendin het meende.
‘Schatje toch, jij zou toch nooit zoiets kwaadaardigs kunnen doen? Daar ben jij veel te goed voor.’
‘We hebben nochtans allemaal bloed aan onze handen,’ mompelde Charlotte.
‘Luister eens goed. Wat met Vandenberghe is gebeurd was een ongeluk. Niemand wou hem dood, het is gewoon gebeurd. Ik dacht dat we dat achter ons hadden gelaten.’
Charlotte meed oogcontact en knikte verontschuldigend.
‘Ik weet het, sorry. ’t Is gewoon door al dat gedoe dat alles weer naar boven komt.’
‘Snap ik, maar probeer er niet te veel mee in te zitten. Dit gaat binnenkort weer over, dat beloof ik.’
Michael streelde zachtjes door het geblondeerde haar van Charlotte en kuste haar daarna op haar voorhoofd.
‘Eet nu maar die pannenkoeken op die je op het nachtkastje hebt gelegd,’ zei hij met een knipoog, ‘Ja, ik heb ze wel gezien. Ik heb die met veel liefde gemaakt, dus ik zou het appreciëren als je ze niet liet beschimmelen.’
Charlotte glimlachte even, waarna Michael weer opstond.
‘Ik ga Kenji in bad stoppen,’ zei hij, ‘Laat het je smaken.’
Zodra Michael de kamer uit was, nam Charlotte het bord met pannenkoeken vast en staarde ernaar. Ik ben misschien niet dik volgens Michael maar daarom mag ik nog niet dik worden, dacht ze toen ze de pannenkoeken in de prullenmand smeet.

Terwijl Denises woorden nazinderden, staarde Elias naar de inhoud van de prullenmand in zijn keuken en in het bijzonder naar de pillen en doktersbriefjes die hij er net in had gesmeten. Dit was de juiste beslissing. Het moest de juiste beslissing zijn. Als hij echt niet verslaafd was, zou hij ook gewoon zonder die pillen kunnen leven, en dat ging hij nu bewijzen. Niet omdat hij geloofde dat hij een probleem had, maar om de anderen rondom hem te tonen dat ze ongelijk hadden over zijn zogenaamde verslaving. En omdat hij de rakende woorden van Denise natuurlijk niet zomaar kon negeren. Dat arm ding. Hoe kon iemand haar nu zo’n kwaad aandoen? Wat had zij ooit iemand anders misdaan? Het had geen zin om zijn hoofd erover te breken, wist Elias. Wat telde was dat Denise veilig en gezond was. Voorlopig toch. Elias draaide zich om en zag Alexander aan het oor van zijn teddybeer knabbelen. De jongvolwassen ex-journalist nam zijn zoon in zijn armen en keek hem vaderlijk aan.
‘Het is een enge en harde wereld, jongen. Dat zul je nog wel merken. Papa Thomas en ik kunnen ons best doen om je ertegen te beschermen, maar ooit zul je het zonder ons moeten doen. Maar wij geloven in je; ik hoop dat je dat ooit beseft.’
Alexander keek zijn vader onbegrijpend aan alsof hij Chinees tegen hem sprak, waarna hij met zijn kleine handjes naar de neus van zijn papa greep. Elias lachte en kuste het voorhoofd van zijn kind. Toen de vaste telefoon rinkelde, keek Elias verrast op. Dat ding werd namelijk maar heel zelden gebruikt en was eerder decoratief dan functioneel. Met Alexander in zijn armen nam hij op.
‘Hallo?’
‘Goeiedag, u spreekt met dokter Geeraerts. Is dit meneer Maes?’
‘Ja, dat klopt.’
‘Ah, meneer Maes. Ik bel in verband met die hiv-test die u enkele dagen heeft laten afnemen …’
Geschokt en in de war luisterde Elias Maes aandachtig verder naar wat zijn huisarts hem te vertellen had.

Begijnenbos, 1995 – Compleet buiten adem maar opgetogen renden Ruben en Daniël het bos door. Terwijl Daniël geen idee had waar hij was, wist Ruben kennelijk wel waar ze naartoe moesten. Daniël volgde zijn handlanger dan maar blindelings tot diep in het geboomte terwijl de nacht langzaam aanbrak.
‘We zijn er,’ hijgde Ruben uitgeput toen het paar aankwam op een open plek midden in het bos.
‘Hoe ken jij deze plek?’ wilde Daniël weten.
‘Ik woon hier niet zover van. Of ja, woonde. Want als dit klotegedoe hier eindelijk voorbij is en blijkt dat ik nog altijd niet op meisjes val, zal ik in dat huis toch niet meer welkom zijn.’ Ruben glimlachte flauwtjes en ging verder: ‘Enfin, thuis is het soms al even erg als hier, dus heb ik soms wat tijd voor mezelf nodig om even aan de realiteit te ontsnappen. Dat doe ik dus al een tijdje op deze plek.’
‘En wat houdt dat dan juist in, dat ontsnappen aan de realiteit?’ vroeg Daniël.
Ruben grijnsde even en gebaarde dat Daniël erachter zou komen als hij gewoon wachtte en toekeek. Ruben stapte naar een boom achter zich en haalde van op een laaghangende, brede tak een verroeste schop tevoorschijn. Vervolgens nam hij vijf grote passen in oostelijke richting en begon daar te graven. Na een tiental flinke scheppen weerklonk het geluid van de schop die een glazen fles raakte. Ruben gooide de schop aan de kant en groef met zijn handen de fles uit de aarde.
‘Vang!’ riep hij toen hij de fles witte wijn naar Daniël gooide, die hem maar op het nippertje kon opvangen.
‘Alright! Alcohol kan ik nu inderdaad wel gebruiken,’ juichte Daniël, die zag dat Ruben nog altijd manueel aan het graven was, ‘Heb je daar nog flessen liggen, misschien?’
Ruben stopte vluchtig iets in zijn broekzak, maar Daniël kon niet zien wat precies.
‘Dat is voor straks,’ antwoordde Ruben mysterieus.
Met zijn handen vol modder stapte hij naar Daniël en nam de fles van hem weer over.
‘Zie je die brede tak in die boom recht voor ons? Daarop heb je een geweldig uitzicht op de zonsondergang. De eerste die erop zit wint.’
‘Wint wat?’ lachte Daniël.
‘Weet ik veel … In het leven, of zo?’
‘Je bent een rare jongen, Ruby. Weet je dat?’
‘Oh, wat lief van je, Danny. Ik apprecieer het echt dat je dat gezegd hebt.’
Daniël gniffelde.
‘Hoe denk je zelfs dat je ’n schijn van kans maakt als je een fles wijn in je handen hebt?’
‘Wat was regel 1 van een vriendschap met Ruben Francken ook alweer, Danny?’
‘Tuurlijk, onderschat Ruben Francken niet,’ antwoordde Daniël grinnikend terwijl hij ironisch met zijn ogen rolde.
‘Je leert snel bij, Daniël De Coninck,’ zei Ruben terwijl hij zijn handen op de schouders van Daniël plaatste.
Beide jongemannen keken elkaar zwijgend aan. Er hoefde ook helemaal niets te worden gezegd; op dat moment hadden ze gewoon genoeg aan elkaars gezelschap. Daniël wist niet hoe deze nieuwe vriendschap er zou uitzien nadat het kamp over enkele dagen tot een einde zou komen. In het slechtste geval zagen ze elkaar nooit meer terug, maar het was wel duidelijk dat ze allebei iemand nodig zouden hebben als ze beiden uit hun ouderlijke huis werden gezet door hun conservatieve ouders. Dan zou de band tussen hen alleen maar sterker kunnen worden, toch? Of misschien wel uitbloeien tot iets anders. Onverwachts werd Daniël uit zijn dagdroom ontwaakt toen Ruben hem hard op de grond duwde en naar de boom met de brede tak rende.
‘Hey rotzak! Dat is niet eerlijk!’ riep Daniël.
‘Het leven is niet eerlijk, Danny!’ kreeg hij als antwoord terug.
Daniël hielp zich snel weer rechtop en haastte zich naar de boom om Ruben in te halen, die al aan zijn klim was begonnen. Hoewel de fles wijn inderdaad een obstakel vormde voor Ruben, lukte het Daniël toch niet om hem voorbij te steken. Dat was namelijk vrij onmogelijk, aangezien Ruben telkens zijn voet plaatste waar Daniël zijn hand wilde zetten. Toen Daniël de brede tak uiteindelijk had bereikt, zat Ruben hem daar dan ook rustig op te wachten terwijl hij een aanzienlijke slok wijn nam.
‘Het is maar dat je ’t weet,’ hijgde Daniël uitgeput, ‘maar als jij geen voorsprong had genomen, had ik je zo ingehaald.’
‘Waarom denk je dat ik je omver heb geduwd?’ antwoordde Ruben met een grijns, ‘Kom erbij zitten! Geniet mee van het uitzicht!’
Daniël nam plaats naast Ruben, die hem de fles wijn aangaf. Gretig nam Daniël een paar slokken en gaf de fles daarna weer terug.
‘Je wou daarnet weten wat ik nog uit die put had gegraven,’ zei Ruben terwijl hij in zijn broekzak tastte.
Daniël keek nieuwsgierig op toen zijn nieuwe vriend een zakje tevoorschijn haalde waarin tabletjes zaten met gezichtjes erop.
“Ken je dat nummer van The Beatles, ‘Lucy in the Sky with Diamonds’?” beantwoordde Ruben Daniëls benieuwde blik.
Daniëls gezichtsuitdrukking getuigde van zowel ongeloof als teleurstelling.
‘Shit, Ruben! Drugs? Serieus?’
‘Ach, doe kalm. Lsd is helemaal niet zo erg als ze zeggen.’
‘Sorry, maar daar doe ik toch echt niet aan mee.’
‘Waarom niet? Omdat je ouders je hebben wijsgemaakt dat drugs gevaarlijk zijn?’
Daniël wendde zijn blik zwijgend af van die van Ruben en liet zo blijken dat dat inderdaad de reden was dat hij het tablet niet wilde aanvaarden.
‘Kijk Daniël, ik ga je nergens toe dwingen,’ verzekerde Ruben hem, ‘maar vergeet niet dat zij jou naar dit klotekamp hebben gestuurd. Wil je echt dat zij je leven blijven bepalen?’
Daniël keek Ruben weer aan en vroeg sceptisch: ‘En wat zouden die drugs moeten veranderen aan het feit dat mijn ouders mij niet accepteren voor wie ik ben?’
‘Niks,’ gaf Ruben toe, ‘maar ze helpen wel om tijdelijk al je miserie te vergeten en alle contact met iedereen in deze schijtwereld te verbreken. En ik merk dat je dat wel kan gebruiken.’
Daniël keek aarzelend, maar zweeg in alle talen. Ruben nam dan maar zelf een tabletje in zijn mond.
‘Laat het me maar weten als je van gedachten verandert,’ zei hij terwijl hij het zakje sloot en terug in zijn broekzak wilde stoppen. Daniël hield hem echter tegen door zijn arm vast te grijpen.
‘Wacht! Geef maar,’ zei hij terwijl hij zijn hand uitstak.
Glimlachend legde Ruben een tabletje in Daniëls hand, die het op zijn beurt in zijn mond stak en inslikte.
‘Ik voel geen verschil,’ zei Daniël weinig onder de indruk.
‘Het duurt ook wel even voor je iets gaat merken,’ lachte Ruben, ‘Heb geduld.’
‘Het is raar. Ik had altijd gezworen dat ik van drugs zou afblijven.’
‘Omdat je je ouders niet wou teleurstellen, en kijk waar je nu bent.’ Rubens opmerking bevatte enorm veel cynisme. ‘Het wordt tijd dat je voor jezelf keuzes gaat maken, Daniël. Als je altijd maar blijft doen wat je ouders je zeggen, ga je nooit het gevoel hebben dat je je eigen leven leidt.’
‘Maar hoe weet ik of een keuze de juiste is of niet?’
Ruben snoof even.
‘Daar kom je pas achter nadat je die keuze hebt gemaakt. Het leven is als een Russische roulette, Daniël. En elke keer je een keuze maakt, haal je de trekker over. Soms leidt dat tot goede resultaten en ben je gerust tot de volgende keer dat je iets moet beslissen, maar soms kunnen de gevolgen zo fataal zijn dat alles in je gezicht ontploft. Het kan ook zijn dat de uitkomst van een juiste keuze in het nadeel speelt van iemand anders, en die persoon dus het fatale schot op zichzelf afvuurt. Dat is gewoon het leven.’
Daniël trok zijn wenkbrauwen hoog op na die metaforische uitleg en antwoordde: ‘Wauw, dat is nogal een pessimistische kijk op het leven.’
‘Wat pessimistisch is voor de optimist, is realistisch voor de pessimist,’ luidde het antwoord van Ruben, ‘Maar daarom hoef je nog niet bang te zijn om risico’s te nemen. Ik bedoel, het zou een ziekelijke vorm van zelffoltering zijn als je je hele leven lang gewoon naar het pistool zou staren zonder ooit de trekker over te halen omdat je bang bent voor een eventuele slechte afloop. Zo voorkom je uit pure onzekerheid dat je verder kunt met je leven, en mis je misschien wel de beste uitkomst die een keuze kan hebben.’
Ruben keek Daniël aan, die niet goed wist hoe hij op het mondelinge filosofische essay van zijn vriend moest reageren.
‘Dat is ook waarom het nu weer tijd is voor mij om de trekker over te halen, in de hoop dat ik mezelf de kop niet in schiet,’ voegde Ruben eraan toe terwijl hij zijn gezicht geleidelijk aan dichter naar dat van Daniël bracht.
Toen Rubens neus die van Daniël raakte, sloten beide jongemannen hun ogen en gingen over tot een passionele kus, terwijl de zon voor hen langzaamaan onderging.

Huis Daniël, 2018 – Daniël zat zenuwachtig neer in zijn sofa terwijl er op tv een of andere humorloze comedyfilm werd uitgezonden. De film diende niet zozeer als ontspanning, maar eerder als achtergrondgeluid waarvan het volume de duistere gedachtegang van de leraar moest overmeesteren.  Dat Daniël niet ontspannen was bleek nooit uit zijn houding of gezichtsuitdrukking, want die had hij altijd onder controle. Zijn zenuwachtigheid was wel af te leiden doordat hij aan het nagelbijten was. Die slechte gewoonte hadden zijn ouders hem proberen af te leren toen hij nog een kind was, maar ze dook elke keer weer op als Daniël zich in een ongunstige situatie bevond. De afgelopen dagen had hij zeker alle reden om ongerust te zijn, aangezien Denise aan haar aanval was ontsnapt. Niet dat Daniël haar dood wenste, maar hij zag niet meteen een andere manier om van de bedreiging die zij vormde af te raken. Althans, dat was wat hij zichzelf wijsmaakte om zijn geweten te sussen. Nu ze echter nog bleek te leven, was die bedreiging natuurlijk groter dan ooit. En daarbovenop weigerde die arrogante Thomas om op zijn sms’en te antwoorden, waardoor de onzekerheid alleen maar toenam. Daniël merkte dat de film helemaal niet hielp om zijn gedachten te verzetten. Hij zou het volume willen verhogen, maar zijn buurman had eerder al geklaagd over geluidsoverlast en Daniël had niet zoveel zin om de politie in zijn huis te ontvangen. Dat komt er natuurlijk van als je in een rijhuis met dunne muren woont, dacht Daniël. Maar als alleenstaand leerkracht was een villa natuurlijk even onbetaalbaar als zinloos. Toen het geluid van de deurbel hem ontwaakte uit zijn dagdroom, stond Daniël verrast op. Hij verwachtte helemaal geen bezoek en de postbode had al lang zijn ronde gedaan. Nieuwsgierig opende hij de voordeur en zag Thomas Maes voor zich staan.
‘Wat doe jij hier nu weer?’ vroeg hij verrast in het deurgat aan zijn oud-leerling, ‘Hoe kom jij zelfs aan mijn adres?’
‘Als je al zo lang als ik onbekende mensen opspoort zonder dat je gezien mag worden, is het niet meer zo moeilijk om dat te doen bij mensen die je kent,’ antwoordde Thomas, ‘Ga je me binnenlaten of laten we de hele straat meeluisteren naar wat ik je te vertellen heb?’
Met een ernstige blik stapte Daniël aan de kant en gebaarde dat Thomas mocht binnenkomen. Thomas glimlachte schijnbaar vriendelijk en trad het huis binnen. De prullaria op de kast in de hal vielen hem meteen op. Ongegeneerd nam hij een staande kader vast en bestudeerde de kerstfoto die erin zat van Daniël en zijn vroegere hond.
‘Had jij geen vriend? Ik zie die hier niet op staan,’ merkte Thomas op.
‘Toen was jij nog een leerling van mij, dat was jaren geleden. Zulke dingen veranderen,’ antwoordde Daniël kort voor hij van onderwerp veranderde, ‘Waarom heb je niet geantwoord op mijn berichten? Het gaat mij ook aan wat er met de ex van Vandenberghe is gebeurd, dat weet je toch?’
‘Omdat ik tijd nodig had om na te denken en omdat ik nog niks zeker wist. Maar nu heb ik genoeg informatie, dus kan ik je op de hoogte brengen. Geduld is een mooie deugd, Daniël.’
‘Oké, ik luister.’
Daniël was duidelijk ongeduldig, waardoor de drang bij Thomas groot was om rond de pot te blijven draaien. Hij besefte echter dat de situatie daarvoor te ernstig was en kwam dus meteen ter zake.
‘Denise haar situatie is zoals ik al gevreesd had stabiel. Eind deze week mag ze al het ziekenhuis verlaten en dan zal ze een nog grotere bedreiging vormen dan ze hiervoor al was.’
‘Maar hoeveel weet ze? Wat kan ze bewijzen?’ wilde Daniël weten.
‘Mijn vingerafdrukken werden gevonden maar aangezien ik nog geen verdachte ben, hebben de flikken die nog niet aan mij kunnen linken.’
Daniël keek Thomas achterdochtig aan.
‘Waarom zeg je nog geen verdachte?’
Thomas vermeed oogcontact en zuchtte voor hij verdere uitleg gaf.
‘Ik heb vandaag in haar buurt iets gezegd waardoor ze zich duidelijk iets herinnerde. Ik weet niet precies wat of hoeveel ze zich herinnert, maar het was wel iets waar ze ongerust van opkeek.’
Daniël sloot ontgoocheld zijn ogen en schudde het hoofd.
‘Dit is allemaal jouw schuld, dat besef je toch?’ verweet hij Thomas, ‘Als jij je nu als een normaal persoon met een geweten en op z’n minst een beetje redelijkheid had gedragen, dan zaten we nu niet zo in de shit.’
Thomas lachte uit ongeloof.
‘Ja, tuurlijk! Ik heb het weer gedaan. Het is zeker ook mijn schuld dat Charlotte die man de kop heeft ingeslagen, of dat Denise jullie gesprek heeft gehoord en er zo achter is gekomen dat haar ex-man gedood is! Het is je misschien al opgevallen, maar ik zit jullie problemen wel altijd op te lossen. Als jij jezelf wil blijven wijsmaken dat je een goed persoon bent, mij niet gelaten. Maar het is een feit dat jij niet eens hebt geprobeerd om mij om te praten toen ik Denise wou vermoorden. Ik ben misschien geen heilig boontje, maar ik doe er tenminste niet hypocriet over. Het wordt tijd dat je inziet wat je bent Daniël: een moordenaar.’
Die uitspraak had Daniël duidelijk getriggerd.
‘Ik ben géén moordenaar!’ brulde hij.
‘Ah nee?’ vroeg Thomas met opgetrokken wenkbrauwen, ‘Leg mij dan eens uit hoe jij zo goed wist wat we moesten doen met het lichaam van Vandenberghe? En hoe je er zo zeker van was dat zijn lijk niet zou worden gevonden op de plaats waar we het verbrand hebben? Die plaats heb jij dan ook nog eens zelf voorgesteld! Dat lijkt mij toch wel verdacht.’
‘Hoe ik dat allemaal wist gaat jou geen reet aan,’ snauwde Daniël.
Een gemene grijns verscheen op Thomas’ gezicht.
‘Weet gewoon dat als Denise zich iets herinnert en ik er niet op tijd iets aan kan doen, die informatie niet zal ontbreken in mijn verklaring aan de politie. Ik ben benieuwd hoe die rechercheurs erover zullen denken.’
‘Durf niet!’ dreigde Daniël.
‘Of wat? Ga je mij ook vermoorden, net zoals je die ene persoon hebt vermoord op de plek van de verbanding? Was het zelfs maar één persoon?’
‘Ik heb hem niet vermoord!’
Daniël besefte dat hij met die woorden eigenlijk al te veel gezegd had. De politie mocht echter niet denken dat hij een moordenaar was, want dat was ook niet zo. Alleen kon dat door de verklaring van Thomas natuurlijk wel zo lijken. Daniël geloofde amper dat hij echt op het punt stond om zijn grootste geheim aan niemand minder dan Thomas Maes toe te vertrouwen, maar hij kon ook niet echt anders als hij misverstanden wilde voorkomen.
‘Ga zitten en dan vertel ik je wel waarom ik zo goed wist wat we moesten aanvangen met het lichaam,’ stelde Daniël dik tegen zijn zin voor.
Alsof hij thuis was, plofte Thomas neer in de sofa en luisterde hoe Daniël zijn verhaal bekendmaakte.
‘Ooit al gehoord van bekeringskampen?’ vroeg Daniël.
‘Die kampen waarvan homofoben beweren dat ze holebi’s kunnen genezen van hun holebi-zijn?’ snoof Thomas.
‘Je kent ze dus. Toen ik achttien was, hebben mijn ouders mij naar zo’n kamp hier in de buurt gestuurd.’
‘Die waren toen toch al lang niet meer legaal bij ons?’ betwistte Thomas meteen het verhaal van Daniël.
‘Ik wou dat dat waar was. Maar ze vonden altijd nog wel een manier om die barbarij toch te laten doorgaan. Maar goed, ik heb daar iemand ontmoet. Zijn naam was Ruben.’

Begijnenbos, 1995 – Nog steeds op dezelfde tak bewonderden Daniël en Ruben de sterrenhemel boven hen terwijl het hoofd van Daniël rustte op Rubens schouder. Ze zaten daar ondertussen al bijna een uur zonder al te veel tegen elkaar te zeggen. Dat hoefde ook helemaal niet; ze hadden genoeg aan elkaars gezelschap. Wie had ooit kunnen denken dat dat bekeringskamp zo’n goede afloop zou hebben voor de twee jongemannen? Ergens was het ook niet zo verrassend. Het was namelijk wel heel naïef om als organisator van zo’n kamp te geloven dat je homoseksuele jongeren hetero kon maken door hen met alleen maar andere homoseksuele jongeren samen te brengen. Ach ja, zonder die naïviteit had Daniël Ruben natuurlijk nooit ontmoet. Als hij niet beter wist zou hij de pastoor zelfs nog een bedankbriefje willen schrijven.
‘Toch raar hoe mooi jarenlang uitgedoofde vuurballen kunnen zijn, hè?’ verwees Ruben opeens naar de sterren.
‘Ik vind het nog veel raarder hoe mensen tekeningen zien in die vuurballen,’ antwoordde Daniël, ‘Ik zie daar nooit die sterrenbeelden in waar mensen het altijd over hebben.’
‘Ik ook niet! Volgens mij hebben een paar mensen die gewoon ooit uitgevonden om met anderen te lachen en doen alle andere mensen nu gewoon alsof zij ze ook zien, omdat ze te bang zijn om ervoor uit te komen dat ze geen idee hebben waarover ze spreken.’
Daniël keek bedenkelijk als reactie op de complottheorie waarvan Ruben zelf ook wel wist dat ze compleet van de pot gerukt was.
‘En hoe zou je dat willen bewijzen?’ vroeg hij.
‘Tja, aangezien wij allebei nog nooit een van die sterrenbeelden hebben kunnen herkennen, kunnen we ze misschien nu door samen te werken wél zien. Als we er een kunnen aanduiden, weten we dat ze wel degelijk bestaan.’
‘Oké, maar de enige die ik ken is die steelpan. Wat was dat ook alweer, de kleine beer?’
‘Ik dacht dat dat de grote beer was.’
‘Ach ja, de grootte is niet belangrijk,’ grapte Daniël met een knipoog.
‘Als jij het zegt,’ lachte Ruben.
Daniël keek naar omhoog op zoek naar de steelpan die hij ergens zou moeten herkennen in de honderden flikkerende lichtpuntjes die hij zag. Die steelpan was toch naar rechts gericht, hè? Of was het naar links? En hoe lang was die steel zelfs? Drie sterren? Vier? Vijf? Daniël zocht zonder veel succes tussen de sterren die het sterkst fonkelden. Op een gegeven moment werd het echter bijzonder moeilijk om zich op de sterren te concentreren. De hemellichamen begonnen namelijk te bewegen, alsof ze ongecoördineerd voor zijn ogen dansten. Onbegrijpend keek Daniël rondom zich en werd bijna duizelig van de manier waarop zijn omgeving vervormde. Ruben merkte Daniëls ongewone reactie snel op.
‘De lsd begint bij jou al te werken, zie ik,’ zei hij.
Daniël keek Ruben onrustig aan. Hij voelde zich helemaal niet op zijn gemak. Alles rondom zich bewoog, voor zich zag hij een sombere dansvoorstelling opgevoerd door donkere kleuren, en zijn vriend had opeens vier ogen. Daniël voelde zich almaar meer gedesoriënteerd en zijn hart begon hevig te kloppen, terwijl hij de controle over zijn ademhaling duidelijk begon te verliezen.
‘Oké Danny, je hebt een bad trip. Wat je nu ook ziet, het is niet echt,’ probeerde Ruben hem te kalmeren.
Rubens poging om hem tot bedaren te brengen ging aan Daniëls hoofd voorbij, omdat hij te onrustig was om iets van Rubens woorden te laten doordringen. Daniël probeerde recht te krabbelen om te kunnen vluchten, maar gleed uit op de gladde schors en landde met zijn buik op de brede tak. Ruben nam hem stevig vast en probeerde hem opnieuw te kalmeren.
‘Daniël, rustig! Het is oké, ik ben bij je! Adem gewoon rustig in en uit.’
Het stemgeluid dat de vervormde mond van Ruben verliet deed echter meer kwaad dan goed. Daniël begon paniekerig om zich heen te schoppen, terwijl Ruben trachtte om zijn benen stil te houden zodat hij niet naar beneden viel. Daniël bleek echter te krachtig en met een ruk bracht hij Ruben uit evenwicht, die nog altijd aan Daniëls been volhield. Ruben viel van de tak en trok Daniël met zich mee. Het duo donderde meters naar beneden en eenmaal de bodem bereikt was, kon Daniël nog net iets hard horen kraken vlak voor hij het bewustzijn verloor.

Huis Daniël, 2018 – Thomas keek Daniël ernstig aan. Zoiets op zo’n jonge leeftijd meemaken moest wel een grote impact hebben gehad op de leraar. De doodslag op Vandenberghe had Thomas’ leven toch alleszins voor goed en radicaal veranderd.
‘Ik werd pas uren later op de grond wakker,’ ging Daniël verder, ‘Het was nog altijd donker, mijn hallucinaties waren weg, en ik kon alles weer zien zoals het echt was. Toen ik naast me keek, zag ik een enorme plas bloed, dan een grote bebloede steen en pas daarna Rubens open schedel die op die steen was geland.’
Daniël pauzeerde even voor hij zijn verhaal hervatte.
‘Ik heb gepanikeerd en gehuild, maar mijn instinct vertelde mij vrij snel dat ik vooral van het bewijsmateriaal af moest geraken. Ik heb dan de schop genomen die Ruben had gebruikt om de drugs op te graven en heb zijn lichaam daarmee begraven. Na al die jaren is zijn lichaam nog altijd niet gevonden, dus dat is hoe ik wist dat die plek veilig was om ook het lichaam van Vandenberghe te verbranden. Voilà, nu weet je het.’
Thomas wreef even over zijn kin terwijl hij alles liet bezinken.
‘Wij hebben dus eigenlijk wel nog meer met elkaar gemeen dan ik eerst dacht,’ zei hij uiteindelijk.
‘Och, durf mij niet met jou te vergelijken!’ verhief Daniël zijn stem, ‘Ik voel mij nog altijd slecht over wat ik gedaan heb. Jou kan het je niet schelen wat jij met anderen doet. Iedereen die jou niet zint ruim je gewoon uit de weg alsof het niks is.’
‘Denk jij nu echt dat ik Denise met plezier heb aangevallen? Dat mens is onschuldig. Zij verdient het niet om te worden vermoord. Maar ik moest iets doen voor ze naar de politie stapte. Dus ja, ik moest even aan mezelf denken, net als jij met Ruben toen.’
‘Ik heb Ruben nooit iets willen aandoen,’ protesteerde Daniël, ‘Het was een ongeluk! Ik heb helemaal niemand pijn gedaan uit eigenbelang!’
‘En zijn ouders dan? Zij weten vandaag nog altijd niet wat er met hun zoon is gebeurd, omdat jij dat al die jaren voor jezelf hebt gehouden.’
‘Zijn ouders gingen hem het huis uit smijten. Die gaven niks om hem.’
Thomas moest even lachen. Hijzelf gebruikte ook gelijkaardige redeneringen om zijn eigen daden te rechtvaardigen. De seriemoordenaar stond kalm op, begaf zich naar de deur en zei nog snel in het deurgat: ‘Blijf jezelf dat maar wijsmaken, Daniël. Ik zei het al: we hebben veel meer met elkaar gemeen dan ik eerst dacht.’
Na die woorden liet Thomas een sprakeloze Daniël achter in zijn huis, sloot de deur achter zich en stapte zijn auto in op weg naar huis.

Onderweg naar het penthouse dacht Thomas terug aan wat Daniël hem verteld had. Hij besefte opeens hoeveel geheimen mensen wel niet hadden. Al die tijd dat hij Daniël had gekend was hij niet de onschuldige leerkracht voor wie hij zich voordeed. Hij had gewoon altijd al bloed aan zijn handen! Thomas legde de vergelijking met de medeplichtigen aan de doodslag op Vandenberghe. Ze droegen niet alleen allemaal hetzelfde geheim, maar elk afzonderlijk hadden ze nog meer geheimen. Voorlopig kon Thomas enkel Daniëls geheim over Ruben, en Charlottes geheim over haar manager bedenken, maar Michael en Roxanne konden ook geen open boeken zijn. Thomas was wel nieuwsgierig naar wat zij te verbergen konden hebben. Nog meer doden? Dat zou dan wel heel hypocriet zijn gezien hun minachting tegenover Thomas, maar de moordenaar liet zich tegenwoordig nog maar door heel weinig verrassen. Natuurlijk waren er ook nog de talloze misdaden die Thomas voor iedereen achterhield, zelfs voor zijn man. Nu hij erover nadacht, zou Elias iets voor hem achterhouden? Er was natuurlijk die privélade die elk van beide had, maar zo’n groot geheim zou Elias daar nu toch ook weer niet in kunnen bewaren? Hoewel, wat Thomas erin verborgen hield was toch ook wel vrij bezwarend. Hij moest gewoon geloven dat wat het ook mocht zijn dat Elias hem niet vertelde, iets onschuldigs was. Elias was namelijk de enige persoon die Thomas ooit had kunnen vertrouwen. Hij moest dus geloven dat zijn man nooit iets zou doen om hem pijn te doen. Dat moest. Thomas schudde zichzelf wakker uit zijn dagdroom toen hij de ondergrondse parkeerplaats van zijn appartementsgebouw had bereikt. De slagboom die Denise had vernield was ondertussen vervangen. Thomas parkeerde zich zoals gewoonlijk zo dicht mogelijk bij de lift en stapte de auto uit. Vervolgens nam hij de lift naar de bovenste verdieping en stapte zijn penthouse binnen. Daar trof hij in de sofa een verslagen Elias aan die met rode ogen voor zich uitstaarde.
‘Hey schat, gaat het wel?’ vroeg Thomas oprecht bezorgd.
Elias bleef een paar seconden stil en antwoordde uiteindelijk met monotone stem: ‘Zes weken. Zo lang kan het duren vooraleer een soa detecteerbaar is in iemands lichaam.’
Thomas keek verward maar had ergens wel een vermoeden waar het over ging.
‘Elias, wat bedoel je? Waar heb je ’t over?’ vroeg hij kalm. De ongerustheid was echter duidelijk in zijn stem te horen.
‘Onze huisarts heeft vandaag gebeld om me dat te vertellen. Ze dacht dat ik jou was. Je zal over een vijftal weken nog eens moeten teruggaan voor een nieuwe test.’
Elias’ stem klonk ongecontroleerd en hij kon maar moeizaam iets uitbrengen, alsof iemand zijn keel had toegenepen.
‘Hoe toevallig is het dat jij een soatest laat nemen vlak nadat je te weten komt dat Denise aids heeft?’
‘Elias, geloof me, dat heeft er niks mee te maken,’ probeerde Thomas zijn man te kalmeren. Maar Elias had geen oren naar zijn uitleg.
‘Ik ben even op onderzoek uitgegaan terwijl jij weg was,’ ging Elias verder met een krop in de keel, ‘Ik moest echt bewijs vinden dat je me gewoon bedrogen had, al was het met een tweederangsgigolo in een louche steegje. Zolang het maar niks met Denise haar aanval te maken had.’
De redenering dat Thomas was vreemdgegaan leek Elias sowieso al onlogisch. Door Thomas’ jeugdtrauma’s van het seksueel misbruik van zijn biologische moeder had het namelijk behoorlijk lang geduurd voor Thomas zich genoeg op zijn gemak voelde om intiem te worden met Elias, wat die laatste altijd begripvol gerespecteerd had. Het was dus verschrikkelijk onwaarschijnlijk dat Thomas zomaar met iemand anders het bed in zou kruipen; daar was hij emotioneel te fragiel voor. Toch zou overspel een veel verteerbaardere reden zijn voor de soatest dan waar hij voor vreesde.
‘Ik heb onze uitgaven van de laatste weken eens bekeken om te zien of er geen ongewone bedragen van onze rekening waren gegaan die je aan dat manhoertje zou kunnen gegeven hebben. Toen zag ik dat je de babysitter dubbel zoveel betaald hebt op de dag dat Denise werd aangevallen. Ik heb hem opgebeld om te vragen hoe dat nu juist zat en hij wist mij te vertellen dat jij hem praktisch had bevolen om dat geld aan te nemen en zich zo snel mogelijk uit de voeten te maken.’
‘Daar is allemaal een heel logische verklaring voor,’ probeerde Thomas tijd te winnen om een uitleg te verzinnen, ‘maar dan moet je me het allemaal even laten uitl…’
‘Hij zei dat je bijna flauwviel en je hand helemaal onder het bloed zat, Thomas!’ onderbrak Elias hem, ‘Die verwonding aan je hand heb je helemaal niet opgelopen tijdens het koken, maar toen je Denise hebt aangevallen! Die soatest heb je niet laten afnemen omdat je mij met iemand anders hebt bedrogen, maar omdat jullie bloed hebben uitgewisseld! Eerst kon ik het niet geloven en heb ik geprobeerd om naar andere verklaringen te zoeken, maar hoe langer ik erover nadacht, hoe logischer het allemaal klonk. Hoe kan het anders dat jij die moorden in je verhalen zo gedetailleerd en nauwkeurig kunt beschrijven alsof je er zelf bij was? Omdat jij godverdomme zelf achter al die moorden zat! En ik heb jou daar nog bij geholpen ook! Als je een misdaadjournalist als man hebt die je alle nodige informatie geeft voor je verhalen, is dat natuurlijk het beste dekmantel om niet verdacht over te komen voor de buitenwereld. Blind kalf dat ik ben geweest!’
Elias’ toon en gezichtsuitdrukking gaven blijk van afkeer en angst, maar ook van enige twijfel. Ergens hoopte hij nog altijd dat hij het bij het verkeerde eind had, hoewel die kans heel klein leek. Thomas zag de twijfel in de ogen van zijn man en bleef rustig, in de hoop dat hij hem alsnog kon overtuigen van zijn onterechte onschuld.
‘Schat, je bent overstuur en dat snap ik,’ trachtte Thomas hem te kalmeren, ‘Maar je denkt ook niet helder na en zegt dingen die nergens op slaan. Laten we hier nu gewoon een nachtje over slapen en dan zetten we dit gesprek morgen voort. Ik slaap wel hier in de zetel als je dat liever wil.’
‘Ik ben jouw schat niet meer,’ snauwde Elias trillend, ‘Jij wil gewoon tijd winnen zodat je morgen weer met een hoop leugens kunt klaarstaan om je eigen vel te redden. Dat is wat je waarschijnlijk al heel ons huwelijk hebt gedaan!’
‘Ik heb nooit tegen jou gelogen, Elias,’ loog Thomas, ‘Je moet me geloven.’
Elias wist niet wat hij moest denken. Als Thomas echt een moordenaar was, waarom had Elias dan zelf nooit iets gemerkt? Zijn man schreef al jaren boeken, dus als hij verantwoordelijk was voor al die moorden die hij in zijn werk beschreef, was hij praktisch al aan het doden sinds ze elkaar voor de eerste keer hadden ontmoet. Dat kon toch helemaal niet? Elias besefte plots dat als er iets in de buurt was wat de schuld van Thomas kon bewijzen, het wel op de ene plaats in hun woning moest zitten waar hij nooit eerder had mogen kijken.
‘Doe open,’ beval Elias zijn echtgenoot terwijl hij naar zijn privélade knikte.
Thomas keek Elias meelijwekkend aan en antwoordde: ‘Elias, we hebben afgesproken dat we elkaars privacy zouden respecteren. Die schuif is het enige beetje privéruimte dat we hebben.’
‘Doe open of je krijgt mij en Alexander nooit meer te zien,’ dreigde Elias onrustig.
Zichtbaar onder de indruk liet Thomas met rustig hoofdknik merken dat hij het begrepen had en hurkte zich neer voor zijn privélade. Met een zucht haalde hij het sleuteltje uit zijn portefeuille, stak het in het slot en opende de lade. Terwijl Elias over de schouder van Thomas meekeek, zag hij een stapel erotische dvd’s in de lade.
‘Nu blij?’ vroeg Thomas, ‘Ik wou gewoon niet dat je dacht dat jij niet genoeg was voor mij. Daarom zitten die in die schuif.’
‘Staat er nu echt achterlijk op mijn voorhoofd geschreven?’ betwistte Elias meteen de uitleg van Thomas, ‘Ik bedoel, wie betaalt er nu nog voor porno? Haal die dvd’s eruit.’
‘Elias, dit is toch echt n…’
‘Nu, godverdomme!’
Terwijl Elias langzaamaan door onzekerheid werd gekweld, legde Thomas elke dvd een voor een aan de kant. Toen hij de laatste film uit de lade haalde, werd de houten bodem ervan zichtbaar.
‘Voilà,’ zei Thomas, ‘Wil je nu nog dat ik alle films laat afspelen zodat je zeker bent dat ik niks anders in die dvd’s verborgen hou?’
Dat was inderdaad het volgende wat Elias wilde vragen, maar gewoon al het feit dat Thomas dat zelf voorstelde betekende dat er iets niet klopte. Hij wilde hem waarschijnlijk gewoon afleiden van de lade zelf, die er aan de binnenkant toch op de een of andere manier anders uitzag dan die van Elias er vlak naast.
‘Nee, haal maar gewoon die valse bodem eruit,’ droeg hij Thomas op toen hij besefte dat de lade minder diep was dan die van hem.
Na een paar seconden aarzelen legde Thomas zich erbij neer dat er geen uitweg meer was en deed wat hem gevraagd werd. Hij tastte diep achter in de lade, waarna een klik te horen was en hij de valse bodem van achteren naar voren losmaakte. Toen de bodem uit de lade was gehaald, werd het geluiddempende pistool van Thomas zichtbaar. Het laatste sprankeltje hoop dat zijn man onschuldig was en hem niet jarenlang had voorgelogen, had Elias nu volledig verloren. Trillend en verstijfd van angst keek hij verstomd naar het vuurwapen.
‘Nee, dat kan niet. Dat mag niet. Dat kan niet, dat mag niet. Dat kan niet!’ herhaalde Elias zichzelf wanhopig terwijl Thomas zijn hand naar hem uitreikte om hem te kalmeren.
‘Shhhh, Elias. Doe rustig. ’t Is allemaal veel minder erg dan het lijkt.’
‘Raak mij niet aan!’ krijste Elias terwijl hij de hand van Thomas wegsloeg.
Thomas herkende de doodsangst van zijn slachtoffers in de blik van zijn man, wat bijzonder veel pijn deed om te zien.
‘Je denkt toch niet dat ik jou iets ga aandoen?’ vroeg Thomas ongelovig, ‘Elias, het is juist voor jou en Alexander dat ik dit doe.’
Elias geloofde niet wat hij hoorde.
‘Excuseer?’ vroeg hij overstuur, ‘Wat wil je daar nu weer mee zeggen?’
‘Alles wat ik heb gedaan, elke wet die ik heb overtreden, elk leven dat ik heb genomen; ik heb het allemaal gedaan om jullie te beschermen. Er zijn te veel slechte mensen op de wereld en ik wil dat jullie er zo weinig mee te maken krijgen in jullie leven.’
‘Hoor jezelf toch eens bezig! Ik heb jouw bescherming helemaal niet nodig! En ik heb al zeker geen bescherming nodig voor Denise! Wat heeft zij ooit misdaan?’
‘Niks,’ gaf Thomas schuldig toe, ‘Ze wist gewoon te veel. Ze vormde een bedreiging.’
Elias keek Thomas verwijtend en veroordelend aan. Hoe kon het nu dat hij daar nooit iets van gemerkt had? Hij kende hem al toen Thomas nog maar achttien jaar was! Hoe kon het dan dat Thomas al die jaren achter zijn rug zulke onmenselijke dingen kon doen? Hoe kon hij zo blind geweest zijn? Wie weet wat Thomas nog allemaal op zijn geweten had.
‘En Jana?’ vroeg Elias opeens, ‘Is wat er met Jana is gebeurd ook jouw schuld?’
Daar gaan we weer, dacht Thomas in zichzelf. Thomas had Elias al jaren geleden gevraagd om het niet meer over zijn ex-vriendin te hebben omdat hij nooit kon loslaten wat er met haar gebeurd was, en het daardoor altijd maar over haar had. In Elias’ hoofd klopte er gewoon iets niet aan de hele zaak, en terecht. Hoewel Thomas het grote publiek en het gerecht ervan had overtuigd dat Jana in de gevangenis hoorde, bleef Elias altijd in haar onschuld geloven. Ze was natuurlijk ook onschuldig. Ze kwam gewoon gevaarlijk veel te weten over Thomas en wat hij deed, dus moest hij van haar af zien te raken. Als antwoord op de vraag van Elias wendde Thomas zijn blik af van zijn partner. Daardoor wist Elias genoeg en begon uit pure ellende te lachen.
‘Jij hebt mij gewoon al die jaren voorgelogen,’ verweet hij Thomas hevig, ‘Ik vertrouwde jou en jij hebt daar gewoon misbruik van gemaakt! Hebben al die jaren eigenlijk wel iets voor jou betekend? Of was ik niet meer dan een pion in jouw zieke spel van verraad?’
‘Dat is niet zo. Dat zweer ik je,’ verzekerde Thomas zijn man wanhopig, ‘Ik heb altijd oprecht van je gehouden, Elias. Jij en Alexander zijn de enigen van wie ik ooit heb gehouden.’
Elias nam een stap achteruit. Hij wist niet wat hij moest denken, voelen, zeggen of doen. Hij wilde gewoon dat Thomas wegging.
‘Jij zegt dat jouw slachtoffers hun lot verdienden, dat de wereld hen beter kon missen’ sprak Elias met onderdrukte stem, ‘Maar misschien kan de wereld jou beter missen.’
Die woorden kwamen ontzettend hard aan bij Thomas. Plots wist ook hij niet meer wat te denken, voelen, zeggen of doen. Dus vertelde zijn instinct hem maar te doen waar hij het best in was: manipuleren. Met een snelle beweging nam Thomas het pistool uit de lade en hield het tegen zijn hoofd.
‘Is dat echt wat je denkt?’ schreeuwde Thomas, ‘Dat de wereld beter af is zonder mij? Wil je dan dat ik mezelf van kant maak? Dat Alexander opgroeit met maar één vader door jouw schuld? Zeg mij dat dat is wat je echt wilt en dan zorg ik dat je je zin krijgt!’
Hoewel Thomas hard zijn best deed om de pijn in zijn stem te verbergen, was die toch duidelijk hoorbaar in zijn wanhoopskreten. Elias keek machteloos en gechoqueerd toe terwijl hij tevergeefs probeerde om alles te laten bezinken. Hij wist niet of hij Thomas echt dood wilde, maar hij was er wel zeker van dat hij zijn geest niet langer wilde laten kneden door hem. Het was nu meer dan ooit tijd om zich te verzetten tegen de manipulaties van de man die hij ooit zijn echtgenoot noemde.
‘Manipuleer mij niet zo!’ krijste Elias in volle wanhoop terwijl hij hard tegen de tranen vocht, ‘Doe het dan! Haal die fucking trekker over!’
Een traan rolde uit Thomas’ reeds rode ogen terwijl hij het pistool trillend maar stevig tegen zijn hoofd hield. Ondertussen bleef Elias dezelfde woorden schreeuwend herhalen: ‘Doe het! Doe het! Doe het!’
De woorden van Elias deden Thomas meer pijn dan om het even welke belediging die hij ooit van andere mensen gekregen had. Na een paar seconden gooide Thomas het pistool neer op de vloer.
‘Jij hebt mij nodig,’ maakte hij zichzelf vervolgens wijs terwijl hij Elias recht in de ogen aankeek.
Instinctief raapte Elias het pistool op van de vloer en richtte het dan op Thomas.
‘Nee, niet waar,’ antwoordde hij koud.
Elias wist niet waar hij mee bezig was. Hij wilde Thomas niet per se doodschieten, maar vooral zichzelf tegen hem beschermen. Thomas herkende echter de angst in Elias’ blik en wist dat hij blufte. Kalm reikte hij zijn hand naar het wapen om het af te pakken en Elias te kalmeren, waarna Elias in paniek raakte en de trekker overhaalde. Doodsangst vulde Elias’ lichaam verschillende keren: één keer toen hij besefte wat hij net gedaan had, een tweede keer toen hij de verslagen blik van Thomas zag, en een derde keer toen Elias zich realiseerde dat het pistool helemaal geen kogels bevatte. Elias bleef gechoqueerd en verstijfd voor zich uitstaren, terwijl hij het vuurwapen nog altijd op Thomas richtte en de trekker van het ongeladen pistool herhaaldelijk overhaalde.
Het bleef tientallen seconden stil tot Thomas uiteindelijk in volle verbazing en ongeloof zei: ‘Je zou me echt doodschieten?’
Elias was te zwaar in shock om antwoord te geven. De schijnbaar eindeloze ijzige stilte werd uiteindelijk doorbroken door het gehuil van Alexander vanuit de kinderkamer. Instinctief stapte Thomas naar de kamer van zijn zoon om hem te troosten, waardoor Elias plots weer kon reageren.
‘Blijf uit de buurt van mijn kind!’ snauwde hij dreigend.
Thomas hield halt en keek Elias verbaasd aan. Dat kon hij nu toch niet menen?
‘Elias, w…’
‘Alexander en mij ben je kwijt, Thomas. Voor altijd,’ onderbrak Elias hem, ‘Voor je hier toekwam heb ik je koffers al gemaakt. Je hoeft dus alleen maar in de slaapkamer te zijn om die te halen en daarna maak je dat je hier weg bent.’
Thomas wist niet wat te zeggen. Wat hij wel wist, was dat het niets zou helpen om tegen Elias in te gaan. Daarvoor was hij nog te overstuur. Thomas besloot dan ook om Elias voorlopig zijn zin te geven, opdat die laatste wat kon kalmeren en alles kon laten bezinken. Pas daarna zou het weer mogelijk zijn om hem alles te laten relativeren en kon Thomas de situatie misschien nog rechtzetten. Terneergeslagen nam Thomas zijn koffers die in de slaapkamer op het bed lagen en begaf zich naar de voordeur. Onderweg passeerde hij de kinderkamer, waartoe Elias de doorgang blokkeerde door in het deurgat te staan.
‘Laat mij alsjeblieft nog afscheid van hem nemen,’ smeekte Thomas rustig.
Elias bleek echter genadeloos en antwoordde kortaf: ‘Weg. Nu.’
Thomas knikte zichtbaar bedroefd om te tonen dat hij de overduidelijke boodschap begrepen had en verliet het penthouse met zijn bagage. Voor de eerste keer sinds heel lange tijd wist hij niet hoe hij de situatie moest aanpakken. Alle keuzes die hij in het verleden had gemaakt hadden nog nooit zulke zware gevolgen gehad. Elke keer was hij aan die fatale kogel ontsnapt. Maar nu waren alle slechte keuzes die hij ooit had gemaakt, tegelijkertijd recht in zijn gezicht ontploft.

Wordt vervolgd …

Advertisements

One thought on “Het geweten van een moordenaar – hoofdstuk 7

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s