Het geweten van een moordenaar – hoofdstuk 2

Lees het vorige hoofdstuk hier.

Hoofdstuk 2: Een wantrouwig weerzien

Kerkelijke begrafenissen vond Thomas zo al verschrikkelijk genoeg, en het feit dat de religieuze ceremonie deze keer ter ere van zijn pedofiele oom werd gehouden maakte het moment alleen maar ondraaglijker. Uit vrees dat zijn ongelovige, zelfs antireligieuze neef een niet-kerkelijke begrafenis voor hem zou regelen als hij overleed, had nonkel Frank zijn eigen begrafenis al lang geleden volledig uitgestippeld en officieel laten vastleggen. Dat was volgens Thomas het enige goede wat zijn oom ooit had gedaan in zijn leven. Als enige overblijvende dichte familielid zou die verantwoordelijkheid anders inderdaad op Thomas’ schouders zijn gevallen. Een begrafenis regelen voor de man die hij eigenhandig had vermoord was echter niet meteen iets waar hij met volle zin aan zou beginnen. Zijn slachtoffers verdienden het zelfs helemaal niet om positief herdacht te worden, dat was net het hele punt: Thomas vermoordde enkel mensen die het volgens hem verdienden. Hij koos zijn slachtoffers altijd heel zorgvuldig uit: verkrachters, kindermisbruikers, uitbuiters, mensen die hun partner of kinderen mishandelden … Kortom, iedereen die de wereld beter kwijt was dan rijk. Natuurlijk was bewijs noodzakelijk alvorens een moord te plegen. Pas als er geen twijfel meer bestond over de schuld van zijn slachtoffer, zou hij zijn slag slaan. In het geval van zijn oom waren de getuigenissen van zijn misbruikte ex-kerkdienaren doorslaggevend. Wat Thomas niet kon vatten, was hoe velen nog steeds volhielden dat de vermoorde priester onschuldig was. Die overtuiging was bij de tientallen snotterende aanwezigen ook af te leiden, net als bij de pastoor die de ceremonie leidde. Telkens wanneer die pastoor iets positiefs uitte over zijn oom, kreeg Thomas het almaar moeilijker zich gedeisd te houden. Gelukkig zat Elias naast hem om hem stilzwijgend te kalmeren elke keer hij het moeilijk kreeg. Als Thomas daar uiteindelijk zelf aan het altaar zou staan, zou zijn man echter niet naast hem staan om hem kalm te houden en zou hij alle remmen losgooien. Na het zoveelste langdradige, christelijke begrafenislied wenkte de priester Thomas naar voren om zijn speech voor te dragen. It’s showtime, dacht hij bij zichzelf terwijl hij zich naar het altaar begaf. Toen hij de droevige sympathisanten aankeek slaakte hij een diepe zucht en las daarna quasiverdrietig zijn toespraak af van zijn blad papier.
‘Een begrafenis is nooit een gezellig gebeuren. Of je de overleden persoon nu heel goed kende of eerder een verre kennis was, of de ceremonie nu een prachtige, symbolische plechtigheid is die de schoonheid van het leven van de persoon in kwestie naar voren brengt of een onpersoonlijke verzameling van willekeurige bijbelverhalen, naar een begrafenis kijkt niemand met enthousiasme uit. Ik stond dan ook niet bepaald te springen om deze speech te schrijven, en die tegenzin nam alleen maar toe tijdens het schrijven ervan zelf. Het is namelijk zo dat er van je verwacht wordt vol lof te spreken over de persoon die hier voor je in een kist ligt, maar ik ben er niet in geslaagd ook maar iets positiefs te vinden over mijn nonkel.’
De rouwende aanwezigen reageerden met een verontwaardigde blik en met ongelovig geroezemoes. Thomas zag hoe Elias pijnlijk zijn ogen sloot en fronste. Dat weerhield Thomas er echter niet van door te gaan met zijn betoog.
‘Om heel eerlijk te zijn begrijp ik jullie reactie niet echt. Ik bedoel, je moet toch wel echt meedogenloos zijn om te geloven dat mijn nonkel een goed man was. Ik weet niet of jullie het goed beseffen, maar we rouwen hier wel om een pedofiel.’
De verontwaardiging onder de begrafenisgangers was enorm. Elias gebaarde zijn man zichtbaar opgejaagd dat hij onmiddellijk weer naast hem plaats moest nemen. Thomas had echter lang nog niet alles gezegd wat hij wilde zeggen. Toen ook de pastoor zijn toespraak wilde beëindigen door hem te benaderen, trad Thomas in protest.
‘Nee, ik ben nog niet uitgesproken,’ riep hij uit met ingetoomd volume terwijl een traan langs zijn wang naar beneden stroomde. Thomas’ hoogoplopende emoties waren uiteraard volledig in scène gezet, maar die extra dramatische toets wekte wel een gevoel van sympathie op bij de aanwezigen.
‘De laatste weken zijn één grote emotionele rollercoaster voor mij geweest,’ zette hij zijn monoloog voort, ‘Eerst was er de vrijlating van Christa, daarna krijg ik te horen dat mijn oom vermoord is als waarschijnlijke wraakactie voor zijn pedofiele schandalen, nog later komt de politie mij melden dat Christa haar vingerafdrukken op het lichaam en moordwapen zijn gevonden, om me uiteindelijk te arresteren op basis van vermoedelijke medeplichtigheid. Ja, ik heb 24 uur lang in de cel gezeten omdat de flikken geloofden dat ik met mijn monster van een biologische moeder had samengespannen tegen mijn nonkel. Kan je ’t je voorstellen?’
Thomas wist al van het moment dat hij de slachtoffers van zijn oom had geïnterviewd dat de politie hem op basis daarvan aan zijn dood zou linken. Dat risico moest hij echter wel nemen wilde hij zeker zijn dat hij een juist oordeel had geveld over de priester. Omdat de politie wist dat de interviews een paar dagen voor de moord waren afgelegd – gelukkig was dat feit Elias niet ter ore gekomen – had Thomas geen alibi. De getuigenissen van de slachtoffers hadden hem ook een motief gegeven om zich te wreken op zijn oom. Concrete bewijzen had de politie echter niet kunnen verzamelen en dus waren ze verplicht Thomas vrij te laten. Christa’s verdwijning deed het korps vermoeden dat ze was gevlucht en een samenwerking tussen een getraumatiseerde zoon en een traumatiserende moeder leek hen bovendien heel onwaarschijnlijk. Er werd een klopjacht gestart op Christa, en Thomas werd sindsdien met rust gelaten. Door zo openlijk negatief te spreken over zijn oom zouden de verdenkingen rond zijn mogelijke medeplichtigheid niet afnemen, maar hij wilde niet dat er ook maar iemand de kerk zou verlaten met het kleinste beetje sympathie voor zijn katholieke familielid. Na een poos brak hij de ijzige stilte door met een krop in zijn keel het laatste deel van zijn toespraak voor te dragen.
‘En alsof de afgelopen weken nog niet emotioneel genoeg waren, krijg ik hier nog te horen dat dit alles deel uitmaakt van gods plan, dat alles om een reden gebeurt. Wil je me dan wijsmaken dat die kinderen het toen verdienden misbruikt te worden door dat beest waar jullie nu om rouwen? Zij werden godverdomme niet verkracht om een reden! Dus als jullie echt willen blijven volhouden dat Frank De Keizer een goed man was die jullie verdriet oprecht verdient, zijn jullie geen haar beter dan die kinderverkrachter.’
Terwijl de begrafenisgangers even lieten bezinken wat er net had plaatsgevonden, keerde Thomas terug naar zijn stoel. Elias schudde teleurgesteld en afkeurend het hoofd en gunde zijn echtgenoot daarna geen enkele blik meer voor de rest van de ceremonie.

Toen de plechtigheid in de kerk achter de rug was en iedereen buiten de gebeurtenissen van daarnet aan het bespreken was, zonderden Thomas en Elias zich even af. Met opgetrokken wenkbrauwen en gekruiste armen keek Elias zijn man zwijgend aan, wachtend op een verklaring voor zijn gedrag.
Thomas rolde met zijn ogen en zuchtte: ‘Oké, zeg het maar. Begin maar te preken, ik ben er klaar voor.’
‘Of je er nu klaar voor was of niet, een preek zou je sowieso krijgen,’ antwoordde Elias, ‘Was dat nu echt nodig?’
‘Welja, ik vond het inderdaad nodig om iedereen er even aan te herinneren dat het niet normaal is om een kinderverkrachter te eren. Raar van mij, hè?’
Thomas’ sarcastische toon stond Elias helemaal niet aan.
‘Het nieuws over Frank heeft veel mensen geschokt, Thomas. Iedereen probeert zowel zijn dood als het waarschijnlijke misbruik op zijn manier te verwerken. De enige houvast die zij dan nog hebben neerhalen helpt daar niet bij. Je kon het echt weer niet laten om je mening te geven over religie, hè? Frank was een priester, zowat al zijn vrienden en kennissen zijn gelovig. Waar zat je toch met je hoofd, schat?’
‘Mijn aanmerkingen waren niet onterecht. Gelovigen denken altijd dat ze moreel superieur zijn, maar religie verspreidt juist haat en verdeelt mensen. ’t Wordt tijd dat de mensheid dat inziet.’
‘Het is altijd gemakkelijk om iedereen over dezelfde kam te scheren,’ zuchtte Elias, ‘Mijn ouders zijn toch ook katholiek? En zij zijn altijd van mij blijven houden, zowel toen ik uit de kast kwam als toen ik zelf uit het geloof stapte. Nee, gelovig zijn maakt je inderdaad niet moreel superieur, net als atheïst zijn je niet intellectueel superieur maakt. Jij apprecieert het trouwens ook niet als een gelovige tegenover jou zijn godsdienst komt promoten. Ga gelovigen dan ook niet voortdurend overtuigen om atheïst te worden. Zo moeilijk is dat niet.’
Thomas begreep dat deze discussie zinloos was en verontschuldigde zich: ‘Sorry, het zijn gewoon donkere dagen voor mij. De nachtmerries willen maar niet afnemen. Ik moet constant denken aan de kans dat Christa plots voor onze deur staat en mij hetzelfde lot staat te wachten als Frank.’
Alweer moest Thomas zijn man beliegen en manipuleren om een realistische reactie te uiten en zijn verhaal geloofwaardig te houden. Hij haatte het dat te moeten doen, maar wist dat het niet anders kon. Over de nachtmerries had hij echter niet gelogen. Thomas kon er absoluut geen verklaring voor vinden. Hij had Christa eigenhandig vermoord, dus wist hij dat zij onmogelijk nog een gevaar kon vormen voor hem. Waarom spookte ze ’s nachts dan toch nog altijd zoveel rond in zijn dromen?
Thomas’ manipulaties leken nogmaals te werken, aangezien Elias hem niet langer afkeurend aankeek, maar eerder medelevend fronste.
‘Maar waarom ga je dan niet gewoon in therapie?’ drong hij voor de laatste keer aan.
Thomas keek even weg.
‘Omdat ik er gewoon niet met iemand over wil praten die ik amper ken. Je weet hoe moeilijk ik het heb om mensen te vertrouwen. Ik zou mezelf gewoon niet kunnen prijsgeven zoals nodig is voor een geslaagde therapie.’
‘Mevrouw Peeters stelt je echt op je gemak. Ik had er in het begin ook niet veel hoop in, maar haar therapie helpt me echt. Geef het gewoon eens een kans.’
‘Ik zie het niet zitten, Elias. Sorry, maar het gaat niet gebeuren.’
Elias zuchtte verslagen.
‘Goed dan, ik zal er niet meer over beginnen. Ik denk niet dat jij staat te popelen om naar de koffietafel te gaan en de mensen hier zullen je daar ook niet met open armen ontvangen. We kunnen dus maar beter naar huis gaan en de babysitter aflossen.’
Thomas stemde in met Elias’ voorstel, waarna ze samen de auto instapten op weg naar hun penthouse. De rit ernaartoe werd er niet gesproken. Dat deden ze altijd als er even wat spanning was ontstaan tussen hen. Daardoor hadden ze ook nog nooit echt ruzie gehad: wanneer de emoties te hoog oplaaiden, gingen ze even apart zitten zonder een woord tegen elkaar te zeggen om te kunnen afkoelen. Zo werden kwetsende scheldpartijen te allen tijde vermeden. Toen ze thuis aankwamen waren beide heren alweer gekalmeerd en kon het normale, vredige leventje opnieuw zijn gang gaan ten huize Maes.

Na het middageten had Thomas plaatsgenomen op de sofa met zijn laptop op zijn schoot terwijl Elias sukkelde met de babyvoeding voor Alexander. Ondertussen was Denise aan het afstoffen.
‘Schat, kan je me even helpen? Ik krijg dat potje niet open,’ zei Elias tegen zijn echtgenoot die te gefocust was op zijn computer om hem te horen.
‘Thomas,’ probeerde hij nogmaals, dit keer met opgeheven stem. Opnieuw geen antwoord. Gniffelend stapte Denise naar Thomas om hem te helpen met de babyvoeding. Ze nam het potje van hem over en opende het moeiteloos met slechts één draai.
‘Wauw, je bent officieel zwakker dan een vrouw van 55. Hoe voel je je daarbij?’ plaagde Denise.
‘Wees maar kalm, jij! Ik had dat deksel gewoon al grotendeels losgemaakt met al mijn gepruts. Daarom ging het zo makkelijk voor jou,’ lachte Elias. Verwijzend naar Thomas zei hij vervolgens: ‘En meneer daar heeft nog altijd niet door wat er rond hem gebeurt.’
‘Ga maar met hem praten, ik zal Alexander wel eten geven,’ reageerde Denise terwijl ze met de babyvoeding naar de kinderkamer stapte.
Elias nam een spons van het aanrecht, maakte hem nat en gooide hem naar Thomas. Toen de vochtige spons hem raakte, keek hij verschrikt op en vroeg waar dat nu weer voor nodig was.
‘Zeg Maes, ik was daarnet wel tegen jou bezig, hè makker,’ zei Elias plagerig.
‘Oh sorry,’ verontschuldigde Thomas zich, ‘ik was even in gedachten verzonken.’
Elias wandelde van het aanrecht naar zijn echtgenoot in de sofa en masseerde langs achteren zijn schouders terwijl hij meekeek naar zijn scherm.
‘Waar ben je zo over aan het piekeren?’ vroeg hij.
‘Ik ben de grote lijnen van mijn volgende boek aan het uitwerken, maar er klopt van alles gewoon niet,’ antwoordde Thomas lichtjes gefrustreerd door de gaten in zijn verhaallijn, ‘De politie heeft Frank bijvoorbeeld aan een kruis gevonden met schotwonden in zijn voorhoofd, zijn beide schouders en in zijn borst. Dat zijn de lichaamsdelen die je aanraakt als je een kruis wilt slaan. Misschien heeft Christa hem op die plekken geraakt om hem te zegenen en god om vergiffenis te vragen voor zijn daden, of zoiets, maar waarom zou ze hem dan zo brutaal vermoorden en vernederen? Ik bedoel, ze heeft hem in het openbaar zo achtergelaten en de foto’s van zijn slachtoffers voor hem neergelegd. Dat houdt dan toch geen steek? De politie heeft ook geen enkele vorm van tegenwerking aangetroffen langs Franks kant. Wou hij dan dat ze hem dat aandeed? En dan is er ook nog die lamp rond zijn hoofd … Ik snap het gewoon allemaal niet meer.’
Het was niet ongewoon dat Thomas over zijn eigen moorden schreef. Sterker nog, dat was het enige waar zijn boeken over gingen. In zijn werken schreef hij uiteraard niet dat hij zijn slachtoffers zelf gedood had, maar stelde zijn fictieve hoofdpersonage steeds verantwoordelijk voor de vele, op het eerste gezicht van elkaar losstaande moorden. Thomas wilde namelijk wel iets van erkenning krijgen voor zijn daden. Door al die sterk uiteenlopende moorden aan één persoon te linken, nam de ongeloofwaardigheid toe bij het grote publiek en leek de kans dat Thomas er echt iets mee te maken had zo goed als onbestaande, hoewel hij wel degelijk als enige de verantwoordelijkheid droeg voor die dodelijke misdaden. De truc was om zoals eerder vermeld zeer uiteenlopend te werk te gaan. Soms sneed hij een lichaam heel vakkundig en chirurgisch open, andere keren ging hij dan weer als een amateuristische woesteling te werk. Sommige moorden deed hij lijken op zelfmoord, andere keren was het dan weer heel duidelijk dat het slachtoffer zich niet zelf van het leven had beroofd. Wanneer een lichaam gevonden werd, wist Elias er altijd wel het een en ander van via zijn werk bij de pers. Op basis van wat zijn man hem kon vertellen, schreef Thomas dan een verhaal waarin het slachtoffer werd ontmenselijkt en daarna vermoord op een brutale wijze die overeenkwam met Elias’ beschrijving. Door die beschrijving als uitgangspunt te nemen en niet volledig de manier waarop de moord echt was uitgevoerd, sloot Thomas bij zijn lezers ook de verdenking uit dat hij er zelf bij betrokken was. Schrijven over pas vermoorde mensen zorgde voor verdeelde meningen over zijn werk, zowel bij de doorsnee lezer als bij de professionele criticus. Zijn schrijfsels werden bekritiseerd door het gevoelige en tactloze onderwerp, maar geprezen om de vlotte stijl en de doordachte metaforiek. Als er echter één ding was waar Thomas ondertussen heel zeker van was, was het dat controverse altijd werkt. Hij mocht dan wel door velen verafschuwd worden, zijn boeken verkochten als zoete broodjes. Daarom kon hij zich ook zo’n luxueus leventje veroorloven. Elias moest ook toegeven dat hij het werk van zijn man niet echt nobel vond en liever had dat hij zijn schrijftalenten voor volledige fictie gebruikte in plaats van voor verhalen met echte overleden mensen, maar kon niet anders dan zijn man steunen. Deze keer lag dat toch net iets anders.
‘Ga je nu echt schrijven over de moord op Frank?’ vroeg hij verontwaardigd.
‘Tja, ik ging al iets schrijven over zijn vermoedelijk misbruik en over de slachtoffers ervan, dus kan ik evengoed zijn dood er ook in verwerken. Het lijkt me wat vreemd om dat eruit te laten.’
Elias stopte de schoudermassage en keek zijn man aan om na te gaan of hij echt serieus was.
‘Thomas, de politie heeft je al verdacht voor zijn dood en nu wil je ze nog wat gaan uitdagen? Je bent zo al controversieel genoeg. Schrijven over de moord op je eigen nonkel gaat zeker niet in de smaak vallen. De mensen die je al verafschuwden gaan dat nu nog meer doen en je fans zullen het ook niet op prijs stellen. Uiteindelijk doe je wat je wilt, maar als je partner raad ik je aan om het te laten voor wat het is.’
Elias had een punt, wist Thomas. Hij wilde gewoon dat de wereld echt zag wat voor een hypocriet onmens zijn oom was. Maar hij had de politie nu net op een dwaalspoor kunnen brengen, dus zou het inderdaad niet zo slim zijn om zich weer verdacht te maken. De jonge schrijver had wat bedenktijd nodig en wilde even alleen zijn om alles op een rijtje te kunnen zetten.
‘Ik ga even wandelen,’ zei Thomas terwijl hij opstond en zijn schoenen aandeed, ‘Ik ben over een uurtje terug.’
Naar goede gewoonte kuste hij zijn man gedag, waarna hij de lift nam naar de benedenverdieping om aan zijn wandeling te beginnen. Toen Thomas net de deur uit was kwam Denise de woonkamer binnen met Alexander in haar armen. Wanneer ze de bedrukte blik van Elias opmerkte vroeg ze of het wel met hem ging.
‘Niet echt, Denise … Thomas z’n toestand lijkt alleen maar bergaf te gaan en hij weigert professionele hulp te zoeken. Voorlopig ben ik wel aan de beterhand, maar wat als ik een terugval krijg? Ik wil niet pessimistisch zijn, maar dat komt wel vaker voor bij mensen met een depressie. Hij stond altijd klaar voor mij toen ik het het moeilijkst had en ik probeer nu voor hem hetzelfde te doen, maar wat als we allebei zo diep in de put zitten dat we elkaar niet meer kunnen helpen?’
‘Hey, maar zo mag je toch helemaal niet denken!’ sprak Denise op een moederlijke toon, ‘Jij en Thomas komen er allebei wel weer bovenop, maar dat gaat gewoon tijd vragen.’
‘Ja, maar wat als het te lang duurt?’ Elias’ toon gaf weinig blijk van positieve ingesteldheid. Met een flauwe glimlach keek hij zijn zoon aan die iets onverstaanbaars brabbelde.
‘Ik zie Alexander echt doodgraag, hè Denise, maar dikwijls vrees ik dat ik dat niet voldoende kan uiten. Dan vraag ik me af: gaat die jongen zijn hele jeugd lang opgroeien met een vader die niet kan laten zien dat hij van hem houdt? Wat zou er dan van hem worden? Dan zou hij waarschijnlijk denken dat hij niet geliefd is, ongewenst. Hij zou zich minderwaardig voelen, geen zelfvertr-‘
‘Je bent veel te streng voor jezelf, Elias,’ onderbrak Denise hem, ‘Het is normaal om je zorgen te maken over je capaciteiten als ouder, zeker in ‘t begin. Maar ik ga je één ding zeggen: alleen al het feit dát je je zoveel zorgen maakt over de opvoeding van Alexander, wil zeggen dat je een veel betere vader bent dan vele anderen. Echt waar.’
Elias keek Denise dankbaar aan, waarna ze hem zijn zoon overhandigde. Enkele seconden later begon Denise opeens zwarte vlekken te zien en te wankelen. Met zijn vrije hand probeerde Elias haar te ondersteunen.
‘Denise, gaat het wel?’
‘Ja hoor,’ antwoordde ze toen de duizeligheid alweer stilaan verdween, ‘gewoon even ongemakkelijk, da’s alles.’
‘Zou je niet beter naar huis gaan?’ vroeg Elias bezorgd.
‘Nee, ’t is goed, hoor. Echt, ik voel me prima, niks aan de hand.’
‘Denise, ga naar huis en rust even uit. Je was hier toch al zo goed als klaar. Ik zal het hier wel afwerken.’
Denise nam Elias’ verzoek uiteindelijk aan en liet zich begeleiden tot aan de lift. Toen de liftdeur sloot, ging Elias terug het penthouse binnen en nam een sleuteltje uit zijn portefeuille. Vlak naast de sofa stond een moderne houten kast waarvan de onderste twee lades voorzien waren van een slot. Elias had de sleutel van de linkse lade en Thomas die van de rechtse. Geen van beiden wist wat er in de lade van de andere zat, wat ook de bedoeling was. Toen het koppel voor het eerst ging samenwonen hadden ze gezamenlijk afgesproken dat ze elk recht hadden op een beetje privacy. Een privélade was daarvan het gevolg. Eenmaal hij zijn lade geopend had, haalde Elias er een stapel oningevulde doktersvoorschriften uit. Vervolgens nam hij een pen en schreef er de naam van het medicijn op waarvoor hij die voorschriften altijd gebruikte.

Een halfuur later kwam Thomas thuis van zijn wandeling. Dat eindje stappen in de buitenlucht had hij even nodig gehad om zowel zijn emoties te relativeren als de raad van Elias te overwegen. Nog voor hij zijn man kon vertellen wat hij tijdens die wandeling besloten had, zei die laatste dat hij nog naar de apotheek moest en maakte zich klaar om te vertrekken. Eenmaal de deur uit, nam hij de trap vanaf de bovenste verdieping helemaal naar het ondergrondse parkeerterrein, stapte in zijn wagen en reed naar een apotheek net buiten de stad. Om niet door de mand te vallen moest Elias regelmatig een andere apotheek opzoeken waar hij zijn pillen kon halen. De gebruikelijke antidepressiva hadden nooit het gewenste effect op de depressieve journalist, waardoor zijn arts hem tijdelijk een alternatief middel had voorgeschreven. Die pillen werkten veel beter, maar mocht hij niet permanent gebruiken vanwege het riskant verslavende effect ervan. Toen de dokter het dan ook tijd vond met de pillen te stoppen, greep Elias de kans een blok doktersvoorschriften uit het bureau van de arts te stelen toen die hem even alleen had gelaten in zijn praktijk. Elias had zelf niet het gevoel dat hij afhankelijk was geworden van de pillen. Hij bleef volhouden dat hij ze binnenkort niet meer nodig zou hebben, hoewel hij dat zichzelf ondertussen al een paar maanden aan het wijsmaken was. Wanneer hij in de apotheek aan de beurt was gaf hij het voorschrift dat hij zelf had ingevuld. Nadat de apothekeres hem het medicijn had overhandigd, gaf ze hem een flyer van het Rode Kruis.
‘Mocht u geïnteresseerd zijn om bloed te geven, kunt u dat altijd doen in het stedelijk ziekenhuis. Alle informatie vindt u op de flyer,’ legde ze vriendelijk uit.
Elias glimlachte kort. ‘Ik zou wel willen, maar ik ben getrouwd met een man.’
De apothekeres begreep wat het probleem was en zei ontgoocheld: ‘Ik hoop dat ze dat systeem heel snel aanpassen.’
Thomas zuchtte even door zijn neusgaten en knikte, wenste haar een prettige dag en stapte opnieuw de auto in op weg naar huis. Toen hij zich een kwartier later weer ondergronds parkeerde, nam hij opnieuw de trap naar de bovenste etage en ging het penthouse binnen. Daar was Thomas Alexander eten aan het geven.
‘Was er weer zoveel volk?’ vroeg Thomas nadat zijn man zeker een halfuur was weggebleven.
‘De dichtstbijzijnde apotheek was gesloten, dus moest ik een andere opzoeken,’ jokte Elias, ‘Zal ik aan het eten beginnen?’
Thomas gaf toe dat hij wel wat honger had, dus legde Elias de pillen in het medicijnkastje en zette het fornuis aan. Ondertussen probeerde Thomas hun zoon tevergeefs een woord aan te leren.
“Nu een hapje voor papa,” zei hij terwijl hij de lepel met fruitpap naar het mondje van Alexander bracht, “zeg dat eens, ‘papa’?”
Alexander keek zijn vader zwijgend en onbegrijpend aan alsof hij twee neuzen had.
‘Daar is het toch nog veel te vroeg voor,’ lachte Elias, ‘een baby zegt pas zinvolle woorden aan het einde van zijn eerste levensjaar.’
“Misschien is Alexander wel een geniaal wonderkind,” sprak Thomas hem grappend tegen, “Ik wil trouwens niet het risico nemen dat zijn eerste woord ‘mama’ wordt. Hoe erg zouden we dan wel niet gefaald hebben als homo-ouders?”
Elias schudde lachend het hoofd en liet het vlees sudderen in de pan. Toen Alexander zijn laatste lepel fruitpap had opgegeten nam Thomas hem uit zijn kinderstoel en liet hem wat spelen in de kinderkamer. Vervolgens ging hij terug naar de keuken, omhelsde zijn kokende echtgenoot langs achteren en verheugde hem met het besluit dat hij eerder die dag had genomen.
‘Ik heb wat zitten nadenken en je hebt misschien wel gelijk,’ gaf hij toe.
Elias draaide zich om en wilde weten of dat betekende wat hij dacht dat het betekende.
‘Ik ga morgen even langsgaan bij de psychologe om te zien of het iets voor mij is,’ bevestigde Thomas Elias’ vermoeden.
Opgelucht kuste Elias zijn man op de lippen.
‘Dank je,’ zei hij met een grote glimlach op zijn gezicht, ‘Ik zie je graag, weet je dat?’
‘Dat is je geraden,’ lachte Thomas,’ Ik jou ook.’ Plots fronste en snoof hij kort alsof hij een vieze geur waarnam en vulde zijn zin aan: ‘Maar aangebrand vlees op mijn bord zie ik iets minder graag.’
Snel draaide Elias zich om en rolde zijn ogen toen duidelijk werd dat zijn eten helemaal niet was aangebakken.
‘Grappig, hoor,’ sprak hij ironisch.
‘Heb dan wat meer vertrouwen in jezelf,’ plaagde Thomas op zijn beurt.
‘Dek jij de tafel maar, dan maak je jezelf ook eens nuttig,’ beval Elias zijn man die zijn tong uitstak en deed wat hem werd opgedragen.

De volgende namiddag zat Thomas in de wachtkamer van psychologe R. Peeters. Elias had Thomas nog gevraagd of hij hem erbij wilde, maar dat vond de schrijver niet nodig. Als hij besloot om echt in therapie te gaan, zou zijn partner er tijdens de sessies immers ook niet bij zijn. Thomas was opzettelijk net voor het sluitingsuur gekomen zodat hij geen andere patiënten zou ophouden die al een afspraak hadden. Wanneer er iemand de praktijk van mevrouw Peeters buiten zou gaan, zou die persoon ook meteen de laatste zijn en kon Thomas dus zonder iemand te hinderen een kort informatief gesprek aangaan. Helemaal alleen in een wachtkamer zitten was natuurlijk vrij saai, dus moest hij wel een beroep doen op de jarenoude tijdschriften die daar in een rek lagen. Toen hij het eerste volledig doorbladerd had ging hij op zoek naar een ander in het rek. Tussen de rij tijdschriften op de bovenste plank kwam hij een oude informatiefolder over de praktijk van Peeters tegen. Hij kon zijn ogen amper geloven toen hij daarop las wat de volledige naam van R. Peeters was. Dat zou toch echt té toevallig zijn, dacht hij bij zichzelf. Toen de deur openging en Thomas de laatste patiënt naar buiten zag stappen, stond hij op uit zijn stoel en stapte het bureau van de psychologe binnen. Met haar rug naar Thomas gekeerd was ze telefonisch een zaak aan het afhandelen.
‘Ik heb met mijn collega uit Nederland gesproken en hij ziet het zeker zitten om in mijn plaats uw behandeling voort te zetten. Over uw therapie hoeft u zich dus al geen zorgen te maken nadat u naar Nederland verhuisd bent … Nee nee, ik kan u niet garanderen dat uw sessie weer elke dinsdag zal plaatsvinden; het schema van Gijs Merkpoel verschilt uiteraard van het mijne. Ik heb u zijn contactgegevens gemaild. Die zult u zelf moeten gebruiken om een afspraak met hem te maken en dan zult u met hem moeten bespreken wanneer jullie wekelijkse sessie zal plaatsvinden … Da’s helemaal geen probleem, mevrouw De Vlieger. Ik wens u nog veel geluk en succes toe met uw nieuwe psycholoog. Hopelijk valt Nederland goed mee … Ja dank u wel, u ook hè! Dag mevrouw De Vlieger.’
Toen de psychologe had opgehangen wist hij wel zeker dat het wel degelijk díe R. Peeters was. Hij had haar gezicht misschien nog niet gezien, maar herkende haar stem wel. Dit was perfect, dacht hij. De confrontatie aangaand sprak hij de psychologe aan die nog steeds met haar rug naar hem gericht stond.
‘Toen Elias me vertelde over mevrouw Peeters had ik toch echt nooit gedacht aan Roxanne Peeters.’
Licht geschrokken draaide Roxanne zich om en zag haar voormalige klasgenoot voor haar staan.
‘Ik zie dat je je leren jasje en rode haarverf achterwege hebt gelaten,’ ging hij door, ‘Ik moet wel zeggen dat je er zo veel professioneler uitziet. Maar dat is waarschijnlijk ook wel je bedoeling als psychologe.’
Roxanne wist even niet wat te zeggen. Op haar gemak voelde ze zich zeker niet, maar ze was wel benieuwd te weten wat Thomas bij haar kwam doen.
‘Thomas … Da’s lang geleden …’ zei ze aarzelend.
‘Toch al bijna dertien jaar, ja.’ Thomas schudde lachend het hoofd. ‘Verdorie, ik had jou toch echt nooit als psychologe gezien. In een rockband of zo, dat misschien nog wel. Jij kon zo slecht met de leerkrachten overweg dat ik echt had gedacht dat je het studeren na de middelbare school zou missen als kiespijn.’
‘Laten we zeggen dat een bekentenis van een bepaald individu me heeft aangespoord psychologie te studeren,’ antwoordde ze, verwijzend naar wat Thomas haar persoonlijk had toevertrouwd toen Vandenberghes lichaam in lichterlaaie stond op die verlaten open plek in het bos.
‘Wel, ik ben heel vereerd om de oorzaak te zijn van die grote beslissing,’ antwoordde Thomas, ‘Jij zal waarschijnlijk ook wel weten wat er van Charlotte en Michael is geworden?’ nam hij vervolgens aan.
Ook Roxanne had niet echt contact gehouden met haar ex-klasgenoten. Ze wilde liever niet constant herinnerd worden aan de dag waarop ze hun meest gehate leraar per ongeluk hadden vergiftigd, hun favoriete leraar hadden bedreigd en gedwongen hen te helpen met het lijk, en het lichaam ten slotte in het bos hadden verbrand om de resten daar te begraven. Nu had ze echter een wrang voorgevoel dat ze de band met minstens één van de medeplichtigen niet langer zou kunnen ontwijken.
‘Niet dat ik contact heb gehouden met hen, maar ja. Het is nogal moeilijk om niet te weten hoe Michael en Charlotte het nu stellen, aangezien ze allebei constant in de boekjes en op de sociale media verschijnen.’
‘Ja nogal,’ bevestigde Thomas, ‘Ik gun het hun wel, al die roem. Ze doen het goed: Michael is een uitstekend voetballer en Charlotte haar modellencarrière is ook terecht een succes. Maar misschien lijkt zij het gewoon heel goed te doen omdat we weten dat ze op alle andere vlakken een hopeloos geval is.’
Roxanne gaf Thomas al lachend gelijk. Het wantrouwen was langs haar kant al wat geminderd en ze stelde zich meer open tot een gezellig gesprek.
‘Ik had die twee toch echt nooit samen gezien, hoor. Jij wel?’ vroeg ze.
‘Geloof me, ik was even verrast als jij toen ik het nieuws hoorde. Ze verwachten toch ook een kind, niet? Of is ze al bevallen? Ik meen mij te herinneren dat ze toch al een tijdje zwanger was.’
‘Ik zou het echt niet weten. Ik heb hen sinds de middelbare school eigenlijk niet meer gezien.’
Dit mocht dan wel niet zo ongemakkelijk zijn als Roxanne eerst gevreesd had, toch begon ze genoeg te krijgen van de smalltalk en wilde Thomas’ reden voor komst weten.
‘Thomas, ik wil niet onbeleefd zijn, maar wat kom je hier eigenlijk doen?’
‘Je patiënt Elias Maes is mijn man. Hij heeft me jou aanbevolen, want volgens hem heb ik ook een psycholoog nodig.’
‘En waarom denkt hij dat?’
‘Ik heb last van nachtmerries. Iets wat ik nooit aan iemand op school verteld heb, is dat mijn biologische moeder me misbruikte als kind. De herinneringen daaraan houden me ’s nachts wakker en ik snap niet waarom. Ik bedoel, ik heb haar met mijn eigen handen vermoord. Ik weet dat ze geen gevaar meer voor me kan vormen.’
Roxanne keek geschrokken. Waarom vertelde hij haar dat nu? Hij wist toch wel dat dit geen officiële therapiesessie was, of niet? Als hij nu op haar beroepsgeheim dacht te kunnen vertrouwen had hij het dus goed mis.
‘Het is niet ongewoon dat trauma’s terug opkomen als je geconfronteerd wordt met de oorzaak ervan,’ legde Roxanne uit. Ze voelde zich opeens weer een stuk ongemakkelijker. ‘Het spijt me Thomas, maar ik denk niet dat het een goed idee is om jou als mijn patiënt aan te nemen.’
‘Mij lijkt het juist een geweldig idee,’ sprak Thomas haar tegen, ‘Het leven van een seriemoordenaar is vrij eenzaam: je hebt niemand om over je daden te spreken. Maar met jou gaat dat wel lukken. Twee moordenaars onder elkaar, da’s toch gezellig?’
‘Ik ben geen moordenaar!’ verdedigde Roxanne zichzelf hevig, ‘Wat Vandenberghe is overkomen heb ik nooit gewild. Dat is allemaal jouw schuld!’
‘Jij was nochtans degene die de methanol in zijn koffie had gegoten, niet ik.’
‘Omdat jij zei dat het drinkbaar was. Ik wilde die klootzak gewoon dronken voeren. Hij kan trouwens onmogelijk door de ethanol gestorven zijn: vergiftigingsverschijnselen komen pas na een paar dagen en hij had zo goed als alles meteen uitgespuwd. Hij is gestorven aan die hartaanval achteraf.’
‘Dat kan je de rechtbank vertellen, maar of ze je zullen geloven is iets anders.’
Roxanne keek verachtend naar haar gesprekspartner. Wie dacht die kerel wel dat hij was?
‘Je hebt net bekend dat je een seriemoordenaar bent. Als je mij verlinkt, vertel ik toch gewoon wat jij me net allemaal gezegd hebt! Je zou jezelf alleen maar in de problemen brengen.’
‘Dus hebben we er allebei baat bij dat jij je mond houdt en me aanvaardt als je patiënt.’
‘Dit is pure chantage,’ snauwde Roxanne.
‘Tja, kijk … Noem het wat je wil, maar je weet zelf ook wel dat je geen keus hebt.’
Thomas was er inderdaad in geslaagd Roxanne in het nauw te drijven met zijn chantage. Niettemin probeerde ze op een rationele manier om hem ervan te overtuigen dat zijn voorstel geen goed idee was.
‘Thomas, de beste therapieën verlopen tussen een patiënt en therapeut die elkaar niet kennen. En om heel eerlijk te zijn stel je me ook allesbehalve op m’n gemak. Ik geloof dus echt niet dat ik je de therapie kan geven die je nodig hebt.’
‘Onzin,’ protesteerde Thomas, ‘Ik heb er alle vertrouwen in dat je het geweldig zal doen als mijn psychologe. Je hoeft trouwens niet bang te zijn: ik zal je niks aandoen … Tenzij je me daar een reden toe geeft. Maar ik ben zeker dat dat niet het geval zal zijn.’
Roxannes blik gaf niet veel blijk van een mogelijkheid dat ze toch zou toegeven aan Thomas’ verlangens. Dat had de jonge seriemoordenaar natuurlijk zelf ook opgemerkt.
‘Nogmaals Roxanne, je hebt geen keus. Doe nu toch eens niet zo moeilijk. Dit is trouwens de kans van je leven. Hoeveel psychologen kunnen zeggen dat ze een echte sociopaat als patiënt hebben? Je zou juist moeten staan popelen om mij in je praktijk te verwelkomen. Ik heb daarnet gehoord dat er een plaatsje is vrijgekomen op dinsdag. Dat past voor mij, dus we zien elkaar dan. Goed?’
Roxanne keek Thomas nogmaals verachtend aan. Ze wilde Thomas absoluut niet begeleiden met zijn therapie, maar wilde nog veel minder na dertien jaar in het gevang vliegen.
‘Je sessie begint om twee uur stipt en duurt een uur,’ gaf ze uiteindelijk met volle tegenzin toe.
Voldaan bedankte Thomas haar met een glimlach en viel de psychologe in het deurgat nog met een laatste vraag lastig: ‘Mijn man noemt je altijd mevrouw Peeters, maar je vindt het toch niet erg dat ik je gewoon Roxanne noem, hè?’
‘Ik laat mijn patiënten zelf beslissen hoe ze mij aanspreken. Noem me maar wat je wilt,’ antwoordde ze met een boze blik.
Met een knik liet Thomas haar weten dat hij het begrepen had en verliet toen de praktijk, uitkijkend naar zijn eerstvolgende gesprek met zijn nieuwe psychologe.

Wordt vervolgd …

Lees het volgende hoofdstuk hier.

Advertisements

2 thoughts on “Het geweten van een moordenaar – hoofdstuk 2

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s