Het geweten van een moordenaar – hoofdstuk 1

Klik hier om de prequel van dit verhaal te lezen.

Hoofdstuk 1: In de naam van de vader

‘En ze leefden nog lang en gelukkig.’ Kleine Thomas luisterde geboeid hoe zijn moeder het bedverhaaltje beëindigde. Hij liet haar bijna iedere avond hetzelfde verhaal voorlezen, en hoewel hij het ondertussen al van achteren naar voren kon navertellen, verveelde het nooit om het nogmaals aan te horen. Het sprookje over de dappere ridder die iedereen in nood hielp, inspireerde Thomas. Als hij later groot was, zou hij net zo zijn als het hoofdpersonage. Hij zou het kwaad bestrijden en de slachtoffers van alle gruwel op de wereld uit de nood helpen. Volgens hem was dat het lot dat God voor hem had weggelegd en hij zou er alles aan doen om zijn Schepper trots te maken. Maar dat waren zorgen voor later had zijn moeder hem altijd gezegd. Nu moest hij vooral een brave jongen zijn die naar zijn mama luisterde, hoe vervelend hij dat ook mocht vinden. Aan zijn moeders blik te zien stond zij ook net op het punt om hem iets te laten doen wat hijzelf zeker niet de meest aangename bezigheid vond. Ze kuste haar vijfjarige zoon op zijn voorhoofd om hem zoete dromen te wensen, maar in haar geval ging een nachtkusje altijd veel verder dan dat. Van zijn voorhoofdje ging ze naar zijn neusje, om haar lippen vervolgens op de zijne te plaatsen terwijl ze hem met zijn kleine handjes de binnenkant van haar slip liet verkennen. Wetend dat het niets zou uithalen, deed Thomas toch een poging om zijn moeder te doen stoppen.
‘Mama, ik ben moe. Mag ik vannacht niet gewoon meteen slapen?’
Terwijl ze het wanhopige verzoek van haar zoontje negeerde begon ze zijn pyjama uit te trekken. Tegenstribbelend trachtte Thomas nogmaals tevergeefs zijn moeder te overtuigen om genade te tonen.
‘Mama, alsjeblieft! Ik wil niet, ik vind het niet leuk!’ jammerde hij.
‘God waakt over je, jongen,’ sprak zijn moeder hem geïrriteerd tegen, ‘Hij ziet alles en weet het dus ook als je niet naar je mama luistert. We hebben het hier al over gehad: je bent me dit schuldig, weet je nog?’
Met een pruillip keek Thomas zijn moeder smekend aan. Uit haar onverschillige blik leidde hij af dat het geen enkele zin had en dat ze toch haar zin zou krijgen. Nadat ze zichzelf ontdaan had van haar slip duwde ze het hoofd van haar zoontje onder de lakens. Huilend en spartelend moest Thomas ondergaan wat zijn moeder hem dwong te doen. Als een poging om toch te kunnen ontkomen werkte hij almaar harder tegen en begon in het wilde weg te schoppen als een agressieveling. Het kon hem niet schelen of hij zichzelf of zijn moeder zou verwonden; hij moest daar gewoon weg. Hoe meer hij schopte, hoe duidelijker hij zijn naam hoorde roepen: ‘Thomas! Thomas stop, je doet me pijn!’ Het geschreeuw werd steeds duidelijker hoorbaar; niet per se luider, maar op de een of andere manier minder vaag. Door de laatste kreet was de 29-jarige Thomas Maes eindelijk in staat zijn ogen weer te openen om tot de ontdekking te komen dat hij zijn eigen man de hele tijd aan het schoppen was.
‘Gaat het wel met je?’ vroeg Elias Maes bezorgd, ‘Straks sta ik nog vol blauwe plekken!’
Thomas nam zijn echtgenoot stevig vast in een langdurige omhelzing en begon zachtjes te huilen. Als er iemand was die hem meteen gerust kon stellen in welke situatie dan ook, was het wel Elias. Beiden maakten ze momenteel een duistere periode door, maar de ene kon altijd troost en steun vinden bij de andere en omgekeerd. Terwijl veel van zijn leeftijdsgenoten stilaan begonnen te panikeren omdat ze hun leven nog niet helemaal op orde hadden, was Thomas er volledig van overtuigd dat hij nu al exact uit het leven had gehaald wat hij gehoopt had. Niet alleen had hij nu al vier jaar een gezond huwelijk met de man van zijn leven – hoewel Thomas dat zelf op een iets minder melige manier zou verwoorden – maar ook woonde hij in een prachtig penthouse, oefende hij zijn droomjob als succesvolle schrijver uit en kon hij samen met Elias een aantal maanden geleden eindelijk hun zoontje Alexander verwelkomen in hun gezin. Momenteel was Alexander Thomas’ grootste uitdaging, of in ieder geval toch het vaderschap zelf. Thomas had het zijn levensdoel gemaakt om samen met Elias de beste ouders te zijn die hun kind zich maar kon voorstellen. Sommige mensen die net als Thomas een barslechte, zelfs traumatische opvoeding hadden gehad, volgden ondanks hun ellendige jeugd toch het voorbeeld van hun ouders. Vaak verwaarloosden ze dan hun eigen kinderen of mishandelden ze hen zelfs. Dat was iets wat Thomas niet kon begrijpen. Hij wilde juist dat Alexander zou kunnen genieten van zijn jeugd en met vreugde naar zijn papa’s toe zou rennen, in plaats van hen uit angst te ontwijken. Thomas wist al veel langer dan vandaag dat hij daarvoor ook de juiste partner had gevonden. Zelfs wanneer Elias het zelf moeilijk had – wat in dit geval zeer zacht uitgedrukt was – bleef hij nog altijd even medelevend en zorgzaam, wat ook bleek uit zijn poging om zijn echtgenoot wat moed in te spreken.
‘De nachtmerries worden steeds erger, hè?’ sprak hij terwijl hij door Thomas’ haren streelde.
Thomas was ondertussen al wat bekomen. In plaats van te antwoorden bleef hij gewoon in de armen van zijn man liggen.
‘Zou je er niet beter met iemand over praten die je écht kan helpen?’ antwoordde Elias op Thomas’ stilte, ‘Ik bedoel, ik sta met veel plezier klaar om je de steun te geven die je nodig hebt, dat weet je. Maar ik denk dat professionele hulp pas echt nuttig zal zijn. Je kan altijd gewoon eens op gesprek gaan met mijn therapeute en dan zie je wel of je ermee wilt doorgaan of niet. Probeer het gewoon eens.’
Thomas zei wederom niets. Het was zeker niet zijn bedoeling om Elias te negeren, maar hij wilde liever gewoon van de veiligheid genieten die hij ervoer in de armen van zijn echtgenoot dan te praten over zijn jeugdtrauma’s. Toen Alexanders gehuil weerklonk door de babyfoon zei Thomas dat hij wel even naar hun zoon zou kijken en stond op uit het bed. Wanneer hij in de kinderkamer aangekomen was, nam hij zijn huilende baby van acht maanden uit zijn wieg en probeerde hem te kalmeren.
‘We leven in een klotewereld, Alexander,’ fluisterde terwijl hij zowel zijn zoon als zichzelf wilde sussen, ‘Ik mag dat woord gebruiken want jij verstaat me toch nog niet.’
Toen Alexander gekalmeerd was bewonderde Thomas even hoe zijn zoontje in zijn armen lag: zo rustig, zo onschuldig, zo kwetsbaar.
‘Ik zal jou en papa tegen al die miserie beschermen, dat beloof ik je. Ik zal er alles aan doen om deze godverdomse rotwereld weer leefbaar te maken voor jullie.’
Terwijl Thomas zijn zoon op het voorhoofd kuste was Elias de kinderkamer binnengekomen en omhelsde zijn partner langs achteren. Elias kuste eerst zijn nek, ging dan over naar zijn wang en kuste zijn man uiteindelijk op de mond. Thomas kon het niet laten zijn opmerking te maken die hij bijna elke keer maakte op zo’n moment en zei spottend: ‘Gaaaaayyyyy.’
Elias rolde lachend met zijn ogen. Die lach had Thomas gemist. Hij had zeker de indruk dat Elias het de laatste dagen beter stelde dan aan het begin van zijn depressie. De vroegtijdige dementie van zijn vader, de prestatiedruk die gepaard ging met zijn promotie op het werk en de onzekerheid van het nieuwe vaderschap hadden enkele maanden geleden een zware druk uitgeoefend op de jonge journalist. Zo zwaar dat Elias in een zeer diepe put geduwd werd en de fut niet meer vond om ook maar even naar boven te kijken en zo het licht bovenaan de put te kunnen zien. Gedurende lange tijd leek het hem beter op de vochtige, kille bodem te blijven zitten, wachtend tot iemand hem zou begraven en alle ellende zo voorbij zou zijn. De laatste weken begon hij echter de langzaamaan de kracht te vinden om van het handige touw gebruik te maken dat al de hele tijd achter hem in die put hing. Hoe moeilijk en hopeloos een situatie ook mocht lijken, je raakte er wel uit als je tenminste zelf bereid was de beschikbare middelen te benutten om je uit die situatie te helpen, wist Elias nu. Hij had het geluk met iemand samen te leven die hem onvoorwaardelijk liefhad en steunde in deze duistere periode, zelfs al had Thomas het tegenwoordig zelf helemaal niet gemakkelijk.
‘Hoe gaat het nu met je?’ vroeg Thomas aan Elias, doelend op zijn actuele emotionele toestand.
‘Het gaat wel,’ antwoordde Elias, ‘De pillen helpen en volgens mijn therapeute maak ik grote vorderingen. Ik voel me ook wel echt beter dan vroeger.’
Dat deed Thomas deugd om te horen. Hun relatie had zeker al een paar keer wankel gestaan door de moeilijke situatie, maar ze kwamen er steeds samen weer door. Ook wanneer Elias volledig genezen zou zijn, zouden er zich nog conflicten voordoen; in welk huishouden gebeurt dat nu niet? Maar alles zou wel een stuk makkelijker zijn als Elias terug de oude was. Niet dat Thomas zijn man iets kwalijk nam – waarom zou hij ook – maar een gelukkige echtgenoot betekende ook een gelukkiger leven voor hen beiden.
‘Ik meende wat ik daarnet zei, Thomas,’ zei Elias vervolgens, ‘Het is niet makkelijk toe te geven dat je therapie nodig hebt, dat weet ik zelf goed genoeg. Maar het doet echt deugd om over je problemen te praten met iemand die je écht kan helpen. Mij heeft het tot nu toe alleen maar goed gedaan. Beloof me gewoon dat je het zal overwegen, want het doet me pijn om je zo te zien lijden.’
‘Ik heb geen therapie nodig,’ sprak Thomas hem rustig tegen, ‘Waar ik nood aan heb, is gerechtigheid, aan een wereld waarin gestoorde kinderverkrachters als Christa niet vervroegd kunnen worden vrijgelaten. Dat mens heeft maar negentien jaar van de dertig in de cel doorgebracht. Ondertussen blijf ik de littekens verdomme wel voor de rest van mijn leven meedragen.’
Alexander was ondertussen weer in slaap gevallen, waarna Thomas hem terug in zijn wieg legde. Toen hij zich omdraaide zag hij Elias medelevend naar hem kijken.
‘Ik weet dat het moeilijk voor je is, Thomas, maar weet dat ze je niks meer kan doen. Ze is vrijgelaten onder heel strikte voorwaarden: ze mag geen contact met je opzoeken en moet zich dagelijks aanmelden om zeker te zijn dat ze het land niet uit zou vluchten. Ze kan je echt niks meer doen.’
Thomas was inderdaad heel zeker dat ze geen gevaar meer zou vormen voor hem, maar dat maakte de situatie nog niet gemakkelijker of aanvaardbaarder. Omdat hij niet echt zin had om er verder over te praten besloot hij terug naar bed te gaan.
‘Het is vijf uur ’s ochtends. We kunnen nog een paar uur slapen voor Denise komt,’ zei hij terwijl hij de kinderkamer uitstapte.
Toegevend dat hijzelf ook wel nog wat slaap kon gebruiken vervoegde Elias zijn man in bed en probeerde de slaap te vatten.

Aan de ontbijttafel was iedereen alweer een beetje gekalmeerd. Elias vond het tijd om zijn man en 55‑jarige huishoudster Denise op de hoogte te brengen van iets waar hij al een lange tijd over had nagedacht.
‘Ik voel me de laatste tijd al wat beter dan vroeger en ben het beu om constant thuis te zitten. Ik zou binnenkort dus weer aan het werk willen gaan als journalist.’
Denise glimlachte instemmend.
‘Lijkt me een goed idee. Het zal je goed doen om je gedachten te kunnen verzetten.’
‘Je mag wel niets overhaasten,’ reageerde Thomas, ‘Begrijp me niet verkeerd, ik vind het heel goed dat je je stilaan weer beter begint te voelen en het ritme van vroeger wilt hervatten, maar vergeet niet dat je onder andere door de werkdruk zo ongelukkig bent geworden.’
‘Maak je maar geen zorgen,’ antwoordde Elias, ‘ik was zeker niet van plan om te vroeg opnieuw te beginnen. Ik ga het er eerst met mijn therapeute over hebben en dan zie ik nog wel. Als zij het goed vindt, ga ik met mijn baas bespreken of ik parttime weer aan de slag kan.’
‘Je zal het wel gemist hebben, zeker? Het werk, de sfeer, de collega’s …’ veronderstelde Denise.
‘Er zijn zeker dingen die ik gemist heb, maar er is ook wel het een en ander waar ik niet zo hard naar uitkijk. Het zit er vol roddelaars en mensen met twee gezichten. Op dat vlak is het soms nog erger dan de middelbare school.’
Tja, de middelbare school … Daar had Thomas niet echt goede herinneringen aan. Enerzijds had hij zich daar nooit echt thuis gevoeld of veel vrienden gemaakt, anderzijds was er ook nog de dood van zijn leraar die hij op zijn geweten had. Die laatste gebeurtenis had zijn huidige persoonlijkheid wel aanzienlijk beïnvloed. Wat het gedaan had met de medeplichtigen was hem een raadsel. Charlotte, Roxanne, Michael en meneer De Coninck had hij in de tussentijd niet meer gezien of gesproken. Meneer De Coninck had hun destijds bevolen zich niet anders te gedragen tegenover elkaar, want elke verandering in hun gedrag kon als verdacht worden beschouwd. Aangezien Thomas nooit van plan was geweest contact te houden met zijn ex-klasgenoten voor de dood van Vandenberghe, was hij hen dan ook nooit gaan opzoeken na hun proclamatie. Hij vroeg zich wel af hoe de anderen hun leven hadden voortgezet na hun misdaad en hoe moeilijk ze het vonden om te zwijgen. Tot nu toe was het voorval nog altijd niet aan het licht gekomen, dus leidde Thomas daaruit af dat ze het ondertussen allemaal al een plaats hadden kunnen geven.
‘Het wordt eens tijd dat ik vertrek,’ zei Thomas toen hij het uur op de klok las, ‘Ik heb nog veel interviews af te nemen en die mensen wonen niet bepaald dicht bij elkaar.’
‘Hij gaat een paar mensen interviewen als onderzoek voor een nieuw boek,’ verduidelijkte Elias toen hij Denises vragende blik opmerkte.
‘Ben je alweer aan een nieuw verhaal bezig? Jij zet er wel vaart achter, hè! Je vorige boek is nog maar net uitgegeven!’
‘Er is hier duidelijk iemand die even genoeg heeft van mijn boeken,’ lachte Thomas.
‘Nee, helemaal niet,’ sprak Denise hem tegen alsof ze hem net diep beledigd had, ‘Ik ben juist een heel grote fan van je werk, dat weet je. Ik vind het gewoon opmerkelijk hoe snel je alweer aan iets nieuws begint.’
Thomas stelde haar lachend gerust: ‘Geen zorgen, Denise, ik plaag je maar! Ik moet gewoon altijd met iets bezig zijn, anders flip ik.’
Hij kuste Elias gedag terwijl hij hem eraan herinnerde dat hij door de lange afstand die nacht niet thuis zou slapen, nam zijn koffer en verliet toen het penthouse.
‘Hoe gaat het nu eigenlijk met hem?’ vroeg Denise aan Elias.
Denise werkte al drie jaar voor het koppel en hoewel ze Thomas nog steeds niet zo heel goed kende, had ze wel al een hechte band met Elias. Hij had haar zelfs gevraagd meter te worden van Alexander, waarmee ze met volle vreugde had ingestemd. Diepgaande gesprekken tussen hen waren bijgevolg niet zo zeldzaam en daar was het volgende gesprek een zeer goed voorbeeld van.
‘Hij heeft het moeilijk,’ gaf Elias toe, ‘Je zou voor minder.’
‘Zeg dat wel,’ zuchtte Denise fronsend.
‘Het is echt vreselijk om hem zo te zien. Alle pijnlijke herinneringen aan zijn jeugd lijken allemaal te zijn teruggekomen sinds de vrijlating van dat monster.’
‘Een trauma blijft je je hele leven achtervolgen. Die herinneringen zijn nooit weggegaan, het lukt hem nu gewoon minder goed om ze een plaats te geven,’ verbeterde Denise hem.
Thomas wist even niet goed wat te zeggen. Hij keek zijn tafelgenote even aan en glimlachte ongemakkelijk.
‘Sorry,’ zei hij uiteindelijk, ‘Ik bedoelde het niet zo. Ik weet ook wel dat je zoiets niet zomaar kan verwerken. Ik heb het gewoon heel slecht verwoord.’
‘Weet ik wel, het is oké,’ stelde Denise hem gerust, ‘Ik wil maar zeggen dat het niet zo abnormaal is dat zijn trauma’s weer bovenkomen, zeker gezien de omstandigheden. Ik denk zelf soms ook nog pijnlijk terug aan mijn ex-man. Het mag dan wel al jaren geleden zijn dat ik nog iets van hem gehoord heb, toch blijft die angst bestaan voor de kans dat hij me toch opzoekt om me weer te kunnen mishandelen.’
Elias fronste medelevend en hield Denises hand vast om haar moed in te spreken.
‘Denise, weet dat als die klootzak ooit aan je voordeur staat, je mij altijd kan bellen nadat je de politie op de hoogte hebt gebracht. Achteraf ben je hier ook altijd welkom mocht je dan even wat tijd nodig hebben om alles te verwerken. Dat meen ik.’
Denise keek Elias dankbaar aan.
‘Laten we hopen dat het niet zover hoeft te komen,’ antwoordde ze. Denise wist dat wat ze nu zou zeggen vrij ongepast kon zijn, maar wilde het toch gezegd hebben: ‘Elias, ik weet dat je nu een heel goede relatie hebt met Thomas en ik ben ervan overtuigd dat hij de juiste persoon voor jou is. Maar in het uitzonderlijke geval dat er iets gebeurt en je met iemand anders verder moet, maak dan niet dezelfde fout die ik gemaakt heb. Als je merkt dat je partner je probeert te kleineren of te manipuleren, je fysiek of mentaal mishandelt, wees dan sterk genoeg om er meteen een einde aan te maken. Beloof me dat.’
Elias knikte bevestigend, wat Denise op prijs stelde.
‘Ik kan maar beter eens beginnen met schoonmaken, anders komt het er vandaag niet meer van,’ zei Denise waarna ze de tafel begon af te ruimen. Wanneer ze Elias’ aanbod om te helpen met de afwas afsloeg, ging hij naar boven om Alexander uit zijn wieg te halen.

Nadat Thomas Maes had ingecheckt in het hotel net buiten het stadscentrum, begaf hij zich naar de locatie waar hij moest zijn. Niet om interviews af te nemen zoals hij Elias had wijsgemaakt, want dat had hij enkele dagen geleden al gedaan. Het knaagde altijd wel ergens telkens als hij tegen zijn man moest liegen, maar hij besefte ook dat een leugentje om bestwil af en toe eens nodig was. Elias zou gewoonweg niet begrijpen wat hij nu van plan was. Zonder al te veel schuldgevoel stapte hij een kerk binnen om er een oude bekende tegen het lijf te lopen. De misviering was net gedaan, had Thomas afgeleid aan het aantal mensen dat de kerk uitstroomde, dus kon hij de priester in alle rust onder vier ogen spreken. Het altaar naderend zag hij de priester zijn wijnkelk opruimen.
‘Dag nonkel Frank,’ zei Thomas toen hij vlak achter zijn oom stond.
De priester draaide zich om en keek verrast op toen hij zijn neef voor hem zag staan.
‘Thomas, wat lang geleden!’ zei hij verheugd en ietwat ongemakkelijk tegelijkertijd.
‘Ja, ‘t is inderdaad al een tijdje geleden dat we elkaar gezien hebben,’ antwoordde Thomas, ‘Alles goed met je?’
‘Ik mag niet klagen. En met jou?’
‘Je bedoelt sinds je me het huis uit hebt gestuurd omwille van mijn geaardheid? Vrij goed, tot kort geleden, dan.’
Nonkel Frank zuchtte.
‘Ik heb toen gedaan wat God van mij zou gewild hebben. Als jij als zondaar wilt blijven voortleven moet je dat zelf weten, maar ik volg de weg van onze Schepper.’
Thomas knikte naar de Bijbel die op het altaar lag en vroeg: ‘Is dat het nieuwe testament?’
‘Natuurlijk,’ antwoordde de priester, ‘ik ken geen enkele zichzelf respecterende priester die het Oude Testament voorleest aan zijn parochianen.’
‘Open het en ga op zoek naar timotheüs hoofdstuk 5, vers 8. Lees het luidop voor wanneer je het gevonden hebt.’
Benieuwd naar wat zijn heidense neef hem wilde bewijzen bladerde hij door het Heilige Schrift op zoek naar het voor te lezen vers en citeerde het wanneer hij het uiteindelijk gevonden had.
‘Doch zo iemand de zijnen, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongelovige.’
Thomas keek zijn oom aan om te zien of hij zijn eigen hypocrisie nu inzag, maar kreeg niet het antwoord waarop hij gehoopt had.
‘Ik heb voor je gezorgd, Thomas. Op je achttiende heb ik je de keuze gegeven om je zonden te weerstaan, of er ergens anders aan toe te geven maar niet onder mijn dak. Ik heb je een geldsom gegeven waarmee je jezelf voorlopig kon onderhouden en blijkbaar ben je er goed in geslaagd om op financieel vlak een degelijk leven te leiden. Ik had je toen ook gezegd dat je altijd weer welkom was als je bereid was aan je aandoening te werken. Dat aanbod is trouwens nog altijd geldig.’
‘Mijn geaardheid is helemaal geen aandoening!’ riep Thomas verontwaardigd uit, ‘Als jouw god van iedereen houdt zoals jouw religie beweert, zou hij mij niet zo geschapen hebben. Niemand verdient het om zomaar op straat te worden gezet. Je was gewoon tot mijn achttiende verjaardag aan het wachten om van mij af te raken. Weet je wel hoe dat voor mij voelde? Ik voelde mij waardeloos, alsof niemand mij graag zag! Als ik Elias toen niet was tegengekomen, had ik het waarschijnlijk opgegeven en was ik er nu niet meer geweest. Besef je dat wel?’
‘Het bewijs dat de Heer over je waakt, lijkt me,’ luidde het antwoord van de pater.
Thomas slaakte een diepe zucht. Waarom dacht hij dat dit ook maar iets zou uithalen? Hij had natuurlijk wel kunnen verwachten dat zijn oom op die manier zou reageren. Hij had niet zoveel hoop meer dat hij het echte doel van zijn komst nu nog zou bereiken.
‘Nonkel Frank, ik ben niet naar hier gekomen om te discussiëren over mijn geaardheid. Ik wilde je eigenlijk trakteren op een diner.’
‘Dat is dan wel een rare manier om dat te doen,’ snauwde zijn oom.
‘Tja, ik moest gewoon even kwijt wat ik de afgelopen jaren heb zitten opkroppen. Nu is het er allemaal uit en wil ik gewoon eens als familie samen eten. Ik neem je wat je me hebt aangedaan nog altijd kwalijk, maar jezus leert ons vergiffenis te tonen, of vergis ik mij?’
Pater Frank knikte bevestigend en hoorde de rest van Thomas’ uitnodiging aan.
‘Het probleem is dat ik je niet bij mij kan uitnodigen omdat ons penthouse geverfd wordt. Ik ga er ook van uit dat je niet meteen staat te springen om mijn man te ontmoeten, dus bij ons thuis is geen optie. Op restaurant gaan lijkt me niet persoonlijk genoeg, dus wil ik heel graag zelf voor jou koken bij jou thuis. Maar dan is er natuurlijk het probleem met je-weet-wel-wie …’
‘Je moeder heeft me gisteravond een sms gestuurd dat ze wat tijd nodig heeft voor zichzelf’, stelde nonkel Frank zijn neef gerust, ‘Ongelooflijk dom van haar, want als ze zich niet blijft aanmelden of als ze erachter komen dat ze niet meer op haar opgegeven vaste adres verblijft, vliegt ze zo weer de bak in. Ik heb haar geprobeerd te bereiken, maar zonder succes. Je zal haar bij mij dus niet tegenkomen.’
‘In dat geval zou ik graag bij jou komen koken vanavond, tenzij je al plannen hebt of het niet ziet zitten. Ik zal zelf de ingrediënten en zo meenemen.’
De priester keek even bedenkelijk.
‘Dan hoop ik wel dat het iets gezelliger wordt dan deze ontmoeting’, zei hij.
Thomas verzekerde hem dat hij zich zou beheersen, waarna de afspraak voor die avond gemaakt was. Blij dat hij dan toch zijn zin had gekregen verliet Thomas de kerk op weg naar het hotel waar de hoofdingrediënten al klaarlagen in zijn persoonlijke vriezer.

Die avond belde Thomas om halfacht aan bij zijn oom met twee plastic zakken met daarin de benodigdheden voor het diner. Toen nonkel Frank de deur opende, verwelkomde hij zijn neef met open armen alsof die vrij hevige discussie van daarnet nooit had plaatsgevonden. Hoe schijnheilig. Thomas besloot maar om het spelletje mee te spelen en begroette zijn oom op een even spontane manier. Wanneer de pater de zijden handschoenen van zijn gast opmerkte vroeg hij hem waarom hij die aanhad op zo’n warme zomeravond.
‘Het klinkt misschien raar,’ antwoordde Thomas, ‘maar aangezien Christa officieel bij jou intrekt, raak ik liever geen dingen aan die zij misschien ook aangeraakt heeft. Het is moeilijk om uit te leggen, maar ik voel me gewoon meer op mijn gemak met de handschoenen aan.’
Nonkel Frank wierp hem een semibegripvolle blik toe en liet hem de eetkamer en aangrenzende keuken zien. De gastheer vroeg of hij echt niet kon helpen, waarna Thomas zijn aanbod afwees en hem verzocht de tafel te dekken. Toen zijn oom de keuken uit was, legde Thomas met zijn handschoenen nog aan het vlees op de pan en begon in de tussentijd aan de aardappelpuree. Buiten het sudderen van het vlees heerste er een ongemakkelijke stilte, die nonkel Frank probeerde te doorbreken met wat orkestrale klassieke muziek. Hoewel de klassieke muziek zeker hielp om de situatie wat verdraagbaarder te maken, vond de religieuze oom het nodig een gesprek aan te gaan, anders zou deze avond nog heel lang duren.
‘Ik heb gehoord dat je je familienaam hebt laten veranderen,’ zei hij lichtjes beledigd tegen zijn neef die nog steeds op de potten en pannen toekeek.
‘Vind je ’t gek?’ vroeg hij op zijn beurt, ‘Ik wou de familienaam van Christa echt niet meer dragen, en door het feit dat jij me toen had laten vallen wou ik ook niet meer aan jou terugdenken elke keer ik mijn naam voluit schreef. Dus ja, ik heet al een tijdje niet meer Thomas De Keizer, maar Thomas Maes. Ik heb de naam van mijn man overgenomen toen we net getrouwd waren.’
De priester keek minachtend weg en snoof: ‘Je bent helemaal niet getrouwd, Thomas. God verbindt geen man in de echt met een andere man. Dat gaat in tegen Zijn moraal. Dat stukje papier dat je in het stadhuis hebt ondertekend stelt niks voor.’
Hier gaan we weer, dacht Thomas zichtbaar geïrriteerd. Hij had wel al langer een sterk vermoeden dat dit etentje niet zijn favoriete avond zou zijn, maar hij had zijn oom nog even nodig om zijn doel te bereiken. Hij besloot dus maar om niet te hevig te reageren.
‘Mijn huwelijk is al vier jaar wettig, en de adoptie van onze zoon is dat ook al een paar maanden. Holebi’s bestaan en hebben evenveel recht op een gelukkig leven als jullie hetero’s. Wen er maar aan.’
‘Luister, Thomas,’ reageerde nonkel Frank, ‘Ik begrijp wel dat je ervaringen met je mama bij jou een afkeer voor vrouwen hebben veroorzaakt, maar als je weer het pad van God volgt en …’
‘Durf je nu echt te beweren dat ik homo ben geworden door wat Christa mij heeft aangedaan?’ onderbrak Thomas hem verontwaardigd.
Het werd wederom stil. Nonkel Frank had de verstandige beslissing genomen zijn grote mond te houden en nam plaats aan de eettafel. Enkele minuten later kon het avondeten geserveerd worden.
‘Ik heb je lievelingseten klaargemaakt.’
Uit Thomas’ stem was duidelijk hoorbaar hoe ontgoocheld hij was in zijn oom. Gezien de ongemakkelijke situatie glimlachte Nonkel Frank maar flauwtjes om zijn dankbaarheid te uiten wanneer hij de niertjes in mosterdsaus op zijn bord zag liggen. Toen hij begon te bidden, negeerde Thomas hem en begon meteen aan het eten. Dat viel niet in de smaak bij zijn gelovige oom, maar aangezien hij niet opnieuw in discussie wilde treden met zijn heidense neef ging hij er niet op in. De stilte werd even doorbroken toen de priester zijn appreciatie voor het smakelijke eten uitte, maar bleef daarna nog een lange tijd aanhouden. Pas toen beide heren hun bord hadden leeggegeten nam Thomas het woord.
‘Nonkel, ik ben niet naar hier gekomen om over mijn gezinssituatie of over god te spreken. Ik wil gewoon weten waarom je Christa in huis hebt genomen. Ik bedoel, je beseft zelf toch ook wel dat ze die celstraf verdiende? Hoe kun je me zoiets aandoen?’
Nonkel Frank voelde zich niet schuldig over zijn beslissing en was ook niet van plan om zijn neef hem een schuldgevoel te laten geven.
‘Ze heeft inderdaad veel op haar kerfstok staan, dat ga ik zeker niet ontkennen,’ verklaarde hij zijn daden, ‘maar ze blijft nog altijd mijn zus, net zoals ze altijd jouw moeder zal blijven.’
‘Alleen biologisch,’ vulde Thomas het argument van zijn oom snel aan, ‘Ik ben trouwens je neef en mij heb je toch ook maar fijn op straat gegooid.’
‘Daar hebben we het al over gehad, jongen. Het grote verschil is dat je moeder wél van haar zonden is afgestapt. Misschien ga je het niet geloven, maar ze heeft oprecht spijt van wat ze gedaan heeft.’
‘Bullshit!’ riep Thomas uit.
Nonkel Frank slaakte een diepe zucht.
‘Het is zo,’ hield hij vol, ‘Ik begrijp dat je haar nu niet wil zien, maar zoals je daarnet zelf al in de kerk hebt gezegd: Jezus leert ons vergiffenis te tonen aan onze naasten. Misschien moet jij dat dan ook maar eens doen. Het zal jullie allebei deugd doen. Ze zou je zo graag terugzien, al zal ze dat niet snel toegeven. Zo taai is ze wel.’
Het had nu wel al lang genoeg geduurd, dacht Thomas. Tijd om te beginnen aan datgene waarvoor hij écht gekomen was.
‘Ja, taai was ze zeker,’ gaf hij toe, ‘Ik had ergens ook wel al gelezen dat mensenvlees over het algemeen vrij taai is, dus waarschijnlijk ligt het niet gewoon aan haar.’
Nonkel Frank fronste hevig zijn wenkbrauwen, nieuwsgierig naar wat zijn neef daar nu weer mee bedoelde.
‘Die sms die je van Christa gekregen had heb ik gestuurd,’ legde Thomas emotieloos uit, ‘Het was voor haar namelijk niet zo evident om te sms’en op de bodem van de rivier … Met haar beide nieren uit haar lichaam verwijderd,’ voegde hij er glimlachend aan toe terwijl hij naar het bord van zijn oom knikte.
De priester kon niet geloven wat Thomas hem zonet had verteld en hoopte dat het gewoon een bijzonder misplaatste grap was. Zijn neef een kannibaal, dat kon toch niet?
‘J-je bedoelt toch niet dat …,’ stamelde hij. Zijn ongeloof en angst waren zo van zijn gezicht af te lezen. De orkestrale muziek werd intenser met de minuut. Thomas kon niet verbergen hoeveel de bange blik van zijn oom hem beviel.
‘Zegt de naam Hannibal Lecter je toevallig iets?’ vroeg hij grijnzend, ‘Dat is een fictieve kannibaal die zijn slachtoffers aan zijn gasten voert terwijl zij zich van geen kwaad bewust zijn. Daaruit heb ik dan ook mijn inspiratie gehaald voor dit etentje. Ik moet zeggen dat ik het niet meteen zag zitten om Christa op te eten. Haar beide nieren liggen dus op jouw bord.’
Nonkel Frank bleef als aan zijn stoel vastgenageld zitten. Hij wist niet hoe hij moest reageren, laat staan hoe hij uit deze situatie kon ontsnappen. Snel vroeg hij de Heer om hulp en prevelde hij een schietgebedje. Ondertussen legde Thomas verder uit wat hij met zijn biologische moeder had gedaan.
‘Ik heb Christa sinds haar vrijlating heel goed in het oog gehouden. Op den duur begon ik haar dagelijkse routine te kennen: wanneer ze boodschappen ging doen, wanneer ze ging wandelen, wanneer ze al dan niet alleen thuis was … Gisteravond heb ik haar tijdens een wandeling verdoofd en meegenomen naar een plek waar ik haar onder vier ogen kon spreken. Zoals jij ook al zei, zei ze dat ze spijt had van wat ze me allemaal heeft aangedaan. Maar er is zoiets heel typerend aan spijt: het komt altijd te laat.’ Thomas stopte even om nog kort te kunnen genieten van de doodsangst op het gezicht van zijn oom om daarna grijnzend verder te gaan: ‘Ik zou kunnen zeggen dat ze niet geleden heeft, maar dan zou ik liegen.’
‘Monster!’ beet nonkel Frank hem uiteindelijk toe.
‘Dat ben je inderdaad. Maar ja, je bent wat je eet,’ luidde het antwoord van de genadeloze moordenaar.
Overmeesterd door walging en schuld stond nonkel Frank op en rende naar de wc om de ingewanden van zijn zus weer uit te braken. Onderweg kreeg hij het echter moeilijk om te bewegen en viel neer op de vloer.
‘Dat werd tijd,’ sprak Thomas terwijl hij zijn oom van de vloer raapte, ‘Er werd mij niet gezegd dat dat verlammingsmiddel zo traag zou werken.’
Onbeweeglijk en machteloos werd nonkel Frank terug in zijn stoel gezet. Vlak daarna haalde Thomas een paar foto’s van de mensen die hij eerder die week had geïnterviewd uit zijn jaszak en legde ze neer voor zijn oom.
‘Ik ga even de tafel afruimen en afwassen, bestudeer jij ondertussen maar even deze foto’s en denk na of je er niet iemand van herkent.’
De klassieke muziek was ondertussen toepasselijk al wat kalmer geworden. Thomas waste rustig de borden af – nog steeds met zijn zijden handschoenen aan – en gaf wat meer uitleg over de foto’s.
‘Je zal die mensen wel herkennen, of niet?’
Nonkel Frank gaf geen reactie; niet dat hij dat ook echt kon in zijn verlamde toestand.
‘Ik laat je dit niet allemaal doormaken omdat je me destijds op straat hebt gezet of omdat je Christa in huis hebt genomen,’ verklaarde Thomas zich nader, ‘maar om wat je Matthieu Sterck, Jeroen Vandevelde en Frans Van Snick hebt aangedaan. En waarschijnlijk zullen er nog veel meer zijn! Je bent misschien vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs, maar mij kan je niks wijsmaken. Ik heb met je slachtoffers gesproken en ik wéét dat je schuldig bent! Die pijn, dat verdriet, dat kan je gewoon niet naspelen.’
Thomas legde het afgewassen en afgedroogde servies aan de kant, waarna hij recht op zijn verlamde oom afstapte.
‘Dat is blijkbaar wel een familietrekje, hè, kindermisbruik? Wat dacht je, als priester mag ik geen relatie hebben en al zeker niet met een man, dus ga ik maar kleine jongetjes betasten want die zullen toch niks zeggen?’
Thomas bleef zijn oom woedend en dreigend aankijken. Nonkel Frank zweeg als vermoord, wat ironisch was, want zo leek hij op de zaken vooruit te lopen.
‘Geef antwoord!’, schreeuwde Thomas.
Nonkel Frank mompelde iets onverstaanbaars, waarna zijn neef hem beval het te herhalen en duidelijker te articuleren. Dat deed hij natuurlijk puur om zijn oom te vernederen, want hij wist goed genoeg dat spreken voor hem nu onmogelijk was. Opnieuw prevelde de verlamde pater niet veel zinvols, maar Thomas dacht er wel iets uit te kunnen maken.
‘Leugens, is dat wat je wil zeggen?’ vroeg hij, ‘Wil je beweren dat je die mannen nooit iets hebt aangedaan?’
Uit nonkel Franks stilte leidde Thomas af dat dat exact was wat de priester hem probeerde duidelijk te maken. Dat zwijgzame antwoord viel niet bepaald in de smaak bij de jongeman, die op zijn beurt antwoordde met een volgens hem welverdiende oorveeg op het gezicht van de kindermisbruiker.
‘Bullshit! Alweer!’ schreeuwde Thomas uit, ‘Ik heb hun leed gevoeld toen zij tegenover mij zaten om hun verhaal met me te delen, toen ze me toevertrouwden welke zieke, perverse praktijken jij allemaal met hen hebt uitgehaald. Als hier iemand van ons een monster is ben jij het wel!’
Nonkel Franks ademhaling had aanzienlijk toegenomen als gevolg van de klap. Thomas’ rode handafdruk was nog duidelijk zichtbaar in het gezicht van zijn oom. De wraakzuchtige jongeman begon weer te grijnzen uit leedvermaak en bracht zijn hoofd tot op enkele centimeters verwijderd van dat van zijn oom.
‘Je zult het waarschijnlijk al gemerkt hebben, maar je kan ondanks je verlamming nog steeds alles voelen. Ik wil je dan ook zien lijden als ik je dood.’
Thomas nam even afstand van zijn slachtoffer en stapte naar de plastic zakken die hij had meegebracht. Vervolgens grabbelde hij in een van de zakken en haalde er een menselijk hand uit.
‘Ja, Christa ontbreekt niet alleen een paar nieren, maar ook nog haar rechterhand. Ik moest iemand verantwoordelijk stellen voor jouw dood en zij leek me de meest voor de hand liggende keuze. Zonder recente vingerafdrukken zou het iets moeilijker zijn voor de politie om de dader te vinden, dus maak ik het hun wat gemakkelijker,’ verklaarde Thomas terwijl hij met de hand de deurklink vastpakte en vervolgens de tafel en het aanrecht aanraakte. ‘Ik had natuurlijk ook een afdruk van haar vingertoppen kunnen gebruiken, maar dat was niet zo leuk geweest als dit,’ vulde hij aan terwijl hij het afgehakte lichaamsdeel rond de hals van zijn oom plaatste. Stevig drukte hij met de hand van zijn biologische moeder het keelgat van de priester volledig dicht. Genietend keek hij toe hoe zijn slachtoffer helemaal paars kleurde en op het punt stond het bewustzijn te verliezen, toen Thomas de hand snel van zijn keel wegnam.
‘Zo goedkoop kom je er niet vanaf,’ snauwde hij, ‘Ik heb iets helemaal anders voor jou in gedachten.’
Voor hij het vergat nam hij eerst de plastic zakken mee – bewijsmateriaal achterlaten op de plaats delict zou immers heel amateuristisch zijn – hief nonkel Frank vervolgens op van zijn stoel en ondersteunde hem tot aan de voordeur. Daar liet hij zijn moeders vingerafdrukken achter op deurklink, zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant van de deur, en gaf de priester een waarschuwing: ‘We gaan zo dadelijk naar buiten. Als je ook maar een kik durft te geven, breek ik je nek. Heb je me goed verstaan?’
Nonkel Frank gaf zoals hem werd opgedragen geen kik, waarna Thomas met hem naar buiten liep in de richting van zijn auto. Wanneer ze de auto bereikt hadden, zette Thomas zijn oom neer in de passagiersstoel naast hem, startte de motor en reed weg om elders de rest van zijn moordplan te volbrengen.

Thomas bracht zijn oom terug naar zijn natuurlijke habitat: de kerk. Toen ze aan de aangrenzende parkeerplaats waren aangekomen, nam hij eerst een geluiddempend pistool, een hoofdlamp en wat gereedschap uit zijn wagen, daarna ook de priester, sleepte hem dan over de verlaten parkeerplaats en liet hem op de koude vloer vallen toen ze de kerk betreed hadden. De moordlustige neef stapte naar het houten rechtopstaande kruisbeeld achter het altaar, sleurde het naar het midden van de kerkzaal en legde het daar neer voor de neus van de pater. Vervolgens plaatste hij het lichaam van zijn oom in Jezushouding op het kruis. Hoewel de paniekerige priester zich tot nu toe braaf aan de voorwaarde had gehouden dat hij geen enkel geluid mocht maken, wist Thomas dat hem dat nu wellicht niet meer zou lukken en plakte uit voorzorg zijn mond toe met ducttape. Daarna nam hij een hamer en nagels uit zijn gereedschapskist, plaatste een nagel recht op de handpalm van zijn oom en aanschouwde vol leedvermaak zijn angstige blik.
‘Wel nonkel,’ zei hij schijnbaar verbaasd, ‘waarom kijk je nu zo bang? Ik had toch echt gedacht dat je het een eer zou vinden om op dezelfde manier als jezus heen te gaan.’
Nonkel Frank begon paniekerig te ademen en binnensmonds te schreeuwen. Zijn geschreeuw dat gedeeltelijk gedempt werd door de ducttape nam toe elke keer zijn neef de nagel dieper zijn hand in hamerde. Thomas’ hamer en handschoenen werden helemaal rood door het bloed dat uit de handpalm van de priester stroomde. Hij wachtte nog enkele minuten tot zijn oom wat gekalmeerd was om dan snel een nieuwe nagel loodrecht op de andere hand te plaatsen. Opnieuw begon de pater heviger te ademen uit paniek, wat zijn neef uiteraard meteen had opgemerkt.
‘Ik geef je nog een laatste kans,’ zei hij met een monotone stem, ‘Je hoeft hiervoor niet te kunnen spreken: ofwel blijf je stil en betekent dat nee, ofwel maak je opnieuw dat achterlijke lawaai dat al de hele tijd uit je bek komt en betekent dat ja. Begrepen?’
Als antwoord maakte nonkel Frank opnieuw dat weinig zinvolle lawaai waar Thomas het over had, waarmee hij dus bevestigend op zijn vraag antwoordde.
‘Heb jij die mensen misbruikt toen ze klein waren, ja of nee?’ vroeg Thomas op dezelfde monotone manier.
De priester bleef muisstil. Thomas vroeg zich af hoelang hij die komedie nog zou volhouden. Wat had hij immers te verliezen? Hij was verlamd en al voor de helft vastgenageld aan een kruis. Het had dus helemaal geen zin om nog aan zijn reputatie te denken.
‘Nu stel je me toch teleur, hoor nonkeltje. En god waarschijnlijk ook. Ik denk toch echt dat hij het op prijs zou stellen mocht je je grootste zonde nog voor je dood hebben opgebiecht,’ zei Thomas toen hij de hamer weer opnam en hem kalm op de kop van de nagel zette, wachtend op alsnog een bekentenis van zijn oom. Die kreeg hij ook toen nonkel Frank zijn schuld uiteindelijk toegaf met een pijnlijke kreun.
‘God zou trots op je zijn,’ beantwoordde Thomas de bekentenis van de priester. ‘Alleen jammer dat hij niet bestaat,’ voegde hij er nog aan toe toen hij ook de tweede hand met de nagel doorboorde.
Voor een tweede keer weergalmde het gedempte geschreeuw doorheen de kerkzaal. Dat geschreeuw bleef nog even duren toen die nagel volledig in de hand en het houten kruis was geklopt. Terwijl zijn oom zat te kermen van de pijn, haalde Thomas de ducttape weer boven en plakte de polsen van zijn oom ermee vast aan het kruis.
‘Ik had ook van in het begin gewoon de tape kunnen gebruiken,’ legde hij uit, ‘want de nagels alleen zouden niet volstaan. Je handen zouden gewoon scheuren, waarna je levend op de grond zou vallen. Dat is natuurlijk ook niet de bedoeling, hè. Bij jezus hebben ze om diezelfde reden ook touw moeten gebruiken. De spijkers hadden ze er alleen maar ingeklopt om hem te laten lijden.’
Toen de polsen waren vastgeplakt, zette Thomas de hoofdlamp aan en plaatste hem op het hoofd van de gekruisigde pater om symbolisch weer te geven wat hij echt was: schijnheilig. Om het bewijsmateriaal te vervalsen nam hij opnieuw de afgehakte hand van zijn biologische moeder en raakte met de vingertoppen de handen van zijn oom aan, evenals het kruis, de hamer en de hoofdlamp. Vervolgens sleurde hij met veel moeite het kruis met daaraan zijn kermende oom naar het altaar en kantelde het kruis om het erop te laten steunen. Daarna haalde hij opnieuw de foto’s van de drie slachtoffers uit zijn jaszak en legde ze neer voor de kindermisbruiker. Nadat hij Christa’s vingerafdrukken ook op de foto’s had achtergelaten, nam hij een paar stappen naar achteren om zijn werk te bewonderen. Thomas was geen amateur en wist dus dat het verschrikkelijk dom zou zijn om zijn slachtoffer daar levend achter te laten in de naïeve hoop dat hij zelf wel zou verhongeren, hoeveel leuker hij die optie ook mocht vinden. Dus nam hij niet veel later zijn geluiddempend pistool en richtte het op de pedofiel. Eerst schoot hij op zijn rechterschouder, wat beantwoord werd met gekrijs. Daarna ging hij over naar de linkerschouder, wat een gelijkaardig leed veroorzaakte. Toen hij zijn doelwit op een niet-fatale plek in de borstkas raakte, begon het bloed op te hoesten. Na nog even te genieten van het zicht richtte hij zijn pistool naar het hoofd.
‘Op momenten als deze hoop ik toch stiekem dat ik het bij het verkeerde eind heb en de hel wel bestaat. Dan zou je daar nu naar kunnen uitkijken,’ sprak Thomas grijnzend, waarna hij de trekker overhaalde en het gekrijs eindelijk ophield. Terwijl hij de kerk verliet, lette Thomas er aandachtig op dat hij niet in de bloedplas stapte om voetafdrukken te vermijden. Wanneer hij de kerkdeur achter zich had gesloten, gooide hij de bebloede hamer met de vingerafdrukken van Christa in de openbare vuilnisbak en begaf zich naar zijn auto. Voor hij instapte stopte hij zijn al even bloederige handschoenen in een plastic zak en reed vervolgens voldaan naar het hotel. In de middelbare school kon hij misschien maar moeilijk omgaan met zijn moordlustige driften, maar daarmee had hij ondertussen allang vrede gesloten. Het was een deel van hem geworden; een deel dat hij nooit meer zou willen loslaten.

Wordt vervolgd …

 

Lees het volgende hoofdstuk hier.

Advertisements

One thought on “Het geweten van een moordenaar – hoofdstuk 1

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s