Orpheus en Eurydice

Click here to read this post in English.

in-loving-memory
Bron: http://www.apa.org

Deel I

‘Ik zie je graag. Tot morgen! X’
Commissaris Watson herlas de laatste sms die hij gisteren naar zijn toekomstige vrouw gestuurd had nog eens opnieuw. Hij vond het een simpel, niet te klef berichtje waarin zijn gevoelens voor haar toch duidelijk tot uiting kwamen. Sommige andere koppels zouden in zijn situatie wellicht ellenlange berichten sturen waarvan de helft gevuld zou zijn met tientallen hartjes en kusjes. Van overdreven sentimenteel gedoe was Watson echter absoluut geen fan en zijn verloofde al evenmin. Affectie tonen was nodig, maar met mate. Hun relatie berustte al van in het begin op dat principe en beiden waren ze ervan overtuigd dat ze elkaar net daarom na zoveel jaren nog steeds even graag zagen.

Hij had haar dus zeker hard gemist gedurende die drie weken dat ze aan de andere kant van de wereld voor haar zieke moeder moest zorgen. De wetenschap dat ze snel zou terugkeren – het kon immers enkel snel bergop of bergaf gaan met haar moeders toestand –  kon hem echter geruststellen. En inderdaad, enkele dagen geleden vernam hij dat zijn schoonmoeder het beter stelde en dat zijn toekomstige binnenkort zou terugkeren. Binnenkort was ondertussen al vandaag. Vandaar dat de glimlach op Watsons gezicht nu nog opvallender en spontaner was dan anders. Iets dat helemaal niet het geval bleek te zijn bij zijn partner die zonet naast hem in de auto had plaatsgenomen.

‘Goeiemorgen, commissaris.’ Eliens stem klonk allesbehalve vrolijk. Ze gaf Watson het adres van de plaats delict waar ze heen moesten rijden, waarna de commissaris de motor startte.
‘Dag Elien. Ik heb zo’n licht vermoeden dat jij een zware nacht achter de rug hebt.’ Watson bereidde zich voor op een ernstig verhaal. Elien was namelijk niet iemand die er zonder reden ongelukkig bijliep. Hij wist altijd wanneer zij een goede babbel nodig had en zij stond ook steeds klaar om hem te steunen. Als je een team vormt, is het belangrijk dat je goed met elkaar overweg kan. Watson prees zich dan ook gelukkig met een partner als Elien. Ze waren niet alleen heel goede collega’s, maar ook beste vrienden.
‘Zwaar is nogal zacht uitgedrukt.’ Elien keek haar collega aan en zag Watson antwoorden met een bezorgde frons, een teken dat hij bereid was te luisteren.
‘Weet je nog dat ik interesse had in Elke Van Kamp, die apothekeres van het dorp hiernaast? Wel, we hebben een paar keer afgesproken en dat leek wel te klikken, dus toen ze me vroeg om even bij haar langs te komen dacht ik dat het eindelijk zover was. Ik had geen ongelijk: de sfeer zat goed, we hebben wat gedronken en van het een kwam het ander… De details zal ik je besparen. Hoe dan ook, achteraf vertelde ze me dat ze al vier jaar een man heeft en daarbovenop nog eens een tweejarige zoon. Ze had hen wijsgemaakt dat ze te ziek was om met hen mee te gaan naar zee zodat ze met mij de nacht kon doorbrengen.’
‘En jij voelt je nu waarschijnlijk een naïef wicht.’
‘Tuurlijk! Het was weer zo’n typisch geval van een vrouw die haar huwelijk beu is en dan maar op zoek gaat naar iets nieuws ten koste van de gevoelens van iemand anders. Mijn vriendinnen hadden me zelfs nog gewaarschuwd, maar ik was natuurlijk weer te koppig om hen te geloven. Achterlijke trut dat ik ben!’
Commissaris Watson keek Elien strak aan. Tijd voor een peptalk.
‘Elien, ik snap dat je jezelf van alles verwijt, maar niets van die hele situatie is jouw schuld. Je dacht dat je een eerlijke vrouw had ontmoet waarmee je een toekomst zag, dus vertelde je instinct je dat die waarschuwingen van je vriendinnen gewoon roddels waren. Jij kende Elke namelijk beter dan zij. We laten ons gemakkelijk meeslepen door onze gevoelens, dat is gewoon iets menselijks en dus niets waaraan jij iets kan doen. De enige die zichzelf iets kan verwijten is Elke zelf: zij leidt een leven van leugens en verraad. Hoe kon jij nu weten dat zij getrouwd was als ze je die hele tijd had belogen? Mocht je je nu verantwoordelijk voelen voor een eventuele scheiding, kan ik je zeggen dat dat helemaal niet jouw schuld zal zijn. Zij wil kennelijk al langer van haar man weg. Het zat eraan te komen. En misschien is deze vrouw zwaar tegengevallen, maar jij bent een lieve, knappe jongedame. Je vindt binnenkort wel iemand, daar ben ik zeker van.’
Elien keek Watson dankbaar aan. Dat was exact wat ze wilde horen en ze wist dat haar collega erin zou slagen haar humeur weer wat op te krikken.
‘Bedankt commissaris, echt bedankt. Ik weet niet hoe je het doet, maar je weet altijd precies welke woorden je moet gebruiken om iemand op te beuren. Je verloofde mag van geluk spreken dat ze jou heeft.’
Watson glimlachte. Hij hoorde wel vaker van anderen dat hij een vlotte babbelaar was. Elien kwam het vaakst naar hem toe op zoek naar advies of troost, maar zij was lang niet de enige. Op zich deed hij het ook heel graag. Mensen rondom hem gelukkig maken maakte hem ook gelukkig.
‘Dank je, Elien. Ik ben gewoon al blij als ik iemand kan helpen. En mijn verloofde mag inderdaad van geluk spreken dat ze mij heeft,’ lachte Watson.
‘Nee, ik meen het. Mocht ik op mannen vallen, ik zou het wel weten!’
‘Pas op of je doet me nog blozen! Wat is er eigenlijk geweten over de zaak die we gaan onderzoeken?’
‘Een jogger heeft vanmorgen een dode vrouw gevonden in het park vlakbij de luchthaven. Voor de rest weten we nog niets.’
‘Kijk, dat is dus waarom ik nooit ga joggen: het zijn altijd joggers en wandelaars die de lijken vinden!’

De rest van de autorit was vrij stil. Commissaris Watson merkte wel op dat Elien zichtbaar vrolijker was dan wanneer ze in de auto was gestapt. Dat gaf hem een goed gevoel. Het was misschien wat vreemd om al glimlachend een lijk te gaan bezichtigen, maar ondertussen hadden ze al zoveel dode lichamen gezien dat die hen nog weinig deden. Eenmaal aangekomen op de plaats delict ging Elien naar goede gewoonte als eerste het lijk bekijken, terwijl de commissaris naar verdere informatie vroeg.
‘Commissaris Watson en rechercheur Allemand; wat kunt u ons vertellen over het slachtoffer?’ vroeg Watson aan een van de forensisch onderzoekers.
‘Dag commissaris, het gaat hier om een 29-jarige vrouw die aan haar bagage te zien waarschijnlijk vlak voor haar dood uit het vliegtuig was gestapt. Er zijn bijtwonden gevonden in de hals en buik, maar niet van een mens. Het zou dus niet gaan om moord. Ze werd gevonden door een toevallige voorbijganger. Haar identiteitskaart had ze ook bij en die zal ik even nodig hebben, want haar naam ontsnapt me even. Het was er een die je niet elke dag hoort.’
‘Neem gerust de tijd,’ is wat Watson zou gezegd hebben als Elien hem niet op dat moment halsoverkop had aangesproken.
‘Commissaris, ik denk dat het beter is dat u niet naar het lichaam gaat kijken en naar huis gaat.’
Watson reageerde verward: ‘Wat krijg jij nu, Elien? Heeft dat beest die vrouw dan zo zwaar toegetakeld? Ik ben ondertussen wel al meer gewoon, hoor, maak je maar geen zorgen om mij.’
‘Commissaris, volgens mij is het echt geen goed idee om naar het lichaam te gaan kijken, luister gewoon alstublieft naar wat ik zeg,’ protesteerde Elien.
‘En volgens mij ben jij vergeten wie hier de leiding heeft! Waarom wil je mij er nu van weerhouden mijn werk te doen? Ik veronderstel dat het lichaam daar ligt? Dan gaan we daar eens een kijkje nemen.’
Vastberaden liep Watson naar het lijk toe terwijl Elien hem nog tevergeefs nariep: ‘Commissaris, alstublieft…’
Geen reactie.
‘Orpheus, stop!’
Bij het lichaam aangekomen zakte Orpheus Watson wanhopig door zijn knieën. Voor zijn neus lag tegelijkertijd zijn zoetste droom en zijn grootste nachtmerrie: eindelijk kon hij zijn verloofde Eurydice weer vastnemen, maar enkel nog als een levenloos lichaam gedrenkt in bloed.

 

Deel II

Ondertussen was Watsons stamcafé zijn tweede thuis geworden – misschien zelfs zijn enige thuis. Want het huis waar hij woonde voelde allang niet meer aan als thuis. Eurydice was daar niet meer om naast hem wakker te worden, om hem elke dag blij te maken met haar aanstekelijke enthousiasme of om hem te laten beseffen hoe gelukkig hij was met een vrouw als zij aan zijn zijde. Telkens wanneer hij daar terugkeerde, herinnerden de leegte en stilte van het huis hem aan zijn verlies. Daarom diende het café als een goede afleiding: er was altijd wel enige vorm van gezelschap. Op dit uur van de avond was er echter niet zoveel volk: buiten de barman en hemzelf merkte Orpheus Watson alleen nog een onbekende vrouw op die al de hele avond in zijn richting aan het staren was.
‘Waarschijnlijk weer iemand die medelijden heeft met mij,’ dacht hij. Het nieuws had snel de ronde gedaan: op een paar dagen tijd wist iedereen in de stad wat Eurydice was overkomen en hoe ellendig haar bijna-weduwnaar – ze waren immers nog niet getrouwd – zich daarbij voelde. Dat zogenaamde medelijden kon Orpheus helemaal niet appreciëren. Hij was er absoluut niet van overtuigd dat mensen echt met hem meeleefden. Wanneer iemand hem sterkte toewenste of iets zei als ‘Wat erg voor je,’ was alles dat hij kon horen: ‘Ben ik even blij dat jij met dat verlies moet leven en niet ik!’ De dame die hem aan het aanstaren was kon dus maar beter niet naar hem toekomen om haar medeleven te betuigen. Daar had hij echt even geen zin in.

Plots hoorde Orpheus zijn gsm voor de zoveelste keer die avond afgaan. Het was Elien. Niet dat hij iemand anders verwacht had: zij was de enige die meermaals geprobeerd had hem te bereiken na het voorval. Hoewel hij haar pogingen om hem te bereiken nooit had beantwoord sinds Eurydice’s dood, was ze al die tijd blijven volhouden. Maar over de dood van zijn verloofde praten was zowat het laatste dat Orpheus nu wou doen. Hij besloot dus maar om opnieuw af te leggen… Fuck, verkeerde knop.
‘Commissaris, eindelijk! Heb je uiteindelijk dan toch ontdekt waarvoor het groene knopje dient?’
Watson zuchtte diep. ‘Geen zorgen, ik weet perfect wat het groene knopje doet. Vandaar dat ik het tot nu toe voortdurend heb ontweken.’
‘Orpheus, ik begrijp dat je het moeilijk hebt. Ik kan me niet voorstellen wat jij nu doormaakt en eerlijk gezegd ben ik ook blij dat ik me zo’n pijn niet kan voorstellen. Maar je zomaar afzonderen en niets meer van je laten horen gaan je problemen niet oplossen. Ik heb je al twee weken lang niet meer gezien of gesproken. Je was er zelfs niet bij op de begrafenis. Ik maak me echt zorgen om je.’
‘Een begrafenis brengt de doden niet terug, Elien. Ik heb afscheid genomen van Eurydice toen ik haar levenloos aantrof in dat park. Als ik naar die begrafenis was gegaan, had ik nog eens afscheid moeten nemen. De eerste keer was pijnlijk genoeg.’
‘Luister commissaris, je mag echt geen contact meer vermijden met de mensen die om je geven. We zijn allemaal bezorgd om je. Op het werk zijn ze trouwens ook niet tevreden. Ze begrijpen dat je tijd nodig hebt, maar als je niet snel van je laat horen, dreigen ze je te ontslaan.’
‘Laat ze toch doen! Wat kan mij het nog schelen?’
Orpheus hoorde zijn collega een diepe zucht slaken. Ze wist dat dit geen zin had.
‘Weet je, Elien, we hadden ons huwelijk voor deze week gepland. Was dat niet mooi geweest? Eurydice en ik in het stadhuis met jou als mijn getuige, wachtend op het wederzijdse jawoord en achteraf een bescheiden feest met vrienden en familie. We keken er zo naar uit.’
‘Orpheus, stop daarmee. Je maakt het jezelf alleen maar moeilijker.’
“Wil je eens iets grappigs horen? Mijn allerlaatste sms naar Eurydice heb ik de dag voor haar dood gestuurd. ‘Tot morgen!’ had ik geschreven. Ik heb haar de volgende dag inderdaad teruggezien.” Orpheus lachte even om de ironie. ‘Ik weet niet of er zoiets is als een god, maar als hij bestaat, heeft hij toch echt een ziek gevoel voor humor!’
Elien zuchtte wederom diep.
‘Dit is zinloos. Bel me maar terug wanneer je wel naar me wil luisteren. Als je trouwens telefoon krijgt van het werk, neem dan zeker op. Er is een tijdje geleden bij de lijkschouwing iets aan het licht gekomen over Eurydice. Sterkte nog.’
Orpheus legde zijn gsm neer op de toog en bestelde nog snel een glas whisky om zijn ellende weg te drinken. Uit zijn ooghoek zag hij die onbekende dame dichterbij komen. ‘Dat ontbrak er nog aan,’ dacht hij bij zichzelf.
‘Ik merk dat u niet staat te popelen om weer medelijden te krijgen van een onbekende, dus zal ik u dat ook niet geven,’ zei de dame, ‘Maar ik weet wel dat u emotionele hulp nodig heeft en die wil ik u ook bieden als u bereid bent die te aanvaarden.’
Watson fronste. ‘Wat bent u, een of andere psychologe?’
‘Ik ben veel meer dan dat. Ik kan u de echte oplossing bieden tot uw probleem.’
‘Tenzij u de doden tot leven kunt wekken zie ik niet in hoe u mij zou kunnen helpen, mevrouw.’
De dame glimlachte. Ze nam een pen uit haar handtas en een bierkaartje dat binnen handbereik lag waarop ze een adres schreef.
‘Kom morgen naar dit adres en dan zal ik het u verder uitleggen. Dit aanbod is eenmalig.’ Met die woorden eindigde ze het gesprek en liet ze Orpheus Watson in het café achter.

*****

Opstaan met een kater was tegenwoordig niets nieuws voor Orpheus. Elke avond zijn miserie wegdrinken zorgde dan wel voor hoofdpijn de volgende ochtend, maar die hoofdpijn was niets vergeleken met de pijn die hij vanbinnen voelde. Hij leek nergens nog plezier uit te halen. Wanneer hij in de spiegel keek, was die vrolijke, optimistische Orpheus van vroeger nergens meer te bespeuren. Elke ochtend opnieuw dacht hij hetzelfde: ‘Morgen herpak ik mij. Dan zal ik weer de oude worden. Ik ga hulp zoeken, vrienden bezoeken en er alles aan doen om er terug bovenop te raken!’ Maar nooit vond hij de moed om zijn belofte aan zichzelf na te komen en elke keer opnieuw vervloekte hij zichzelf omwille van zijn eigen zwakheid. Toen hij het bierkaartje van zijn slaapkamervloer opraapte en het adres dat erop geschreven stond bekeek, besloot hij dat het vandaag anders zou zijn. Hij wilde de onbekende dame van gisteren een kans geven. Baat het niet, dan schaadt het niet… Of juist wel. Nee, daar mocht hij niet aan denken. Met die ingesteldheid zou hij nooit beter worden. Kort daarna stapte hij in zijn auto, gaf hij de gegevens in zijn gps in en volgde de aangeduide route naar zijn bestemming.

De gps bracht hem naar een afgelegen huis vlak voor een bos. Op de voordeur hing een papier waarop stond: ‘VOOR DIENSTEN GELIEVE HET PAD NAAST HET HUIS TE VOLGEN.’
Het bevel van een stuk papier opvolgend begaf Orpheus zich naar het pad dat zich tot diep in het bos uitstrekte. Tientallen meters verder kwam hij een typische zigeunercaravan tegen en de commissaris kreeg al meteen spijt van zijn beslissing om hiernaartoe te komen. Maar hij was nu al zover gekomen, dus kon hij maar beter even een kijkje nemen. Het interieur was zoals hij verwacht had kleurrijk versierd met grote wanddoeken, tapijten en religieuze symbolen. Er hing ook een opvallend sterke geur van wierook gemengd met tabak. Aan een tafel recht tegenover hem zag hij de dame van gisteren zitten. Ze had een indrukwekkend, maar spuuglelijk gewaad aan, vond hij.
‘Goedemiddag, commissaris. Ik ben blij dat u toch heeft overwogen mijn aanbod aan te nemen. Gaat u maar zitten.’
Achterdochtig maar toch nieuwsgierig nam Watson plaats aan de tafel. Hij zou het pas aftrappen wanneer ze hem om geld zou vragen. Tot dan was hij bereid naar haar bedoelingen te luisteren.
‘Kunt u me zo snel mogelijk uitleggen waarom ik naar hier moest komen? Ik heb nog andere dingen te doen, mevrouw… Euh, sorry wat was uw naam ook alweer?’
‘U moest helemaal niet naar hier komen, dat heeft u zelf beslist. Als u wilt, kunt u nu elk moment weer de deur uitstappen en uw zelfmedelijden opnieuw wegdrinken in het café. Maar ik zou het toch appreciëren mocht u eerst luisteren naar wat ik te zeggen heb. Noem me trouwens maar Esmeralda, meneer Watson. Of mag ik Orpheus zeggen?’
‘Noem me maar wat u zelf wilt,’ zei Orpheus lichtjes ongeduldig.
‘Speciale namen, hè, Orpheus en Eurydice? Jullie zouden even goed uit een eeuwenoude Griekse mythe kunnen komen.’
‘Zei de vrouw met de meest cliché naam voor waarzegsters die er bestaat. Waar heeft u die gevonden, op heksennamen.be?’
‘.nl, niet .be,’ mompelde Esmeralda nog snel. ‘Laten we de small talk achterwege laten en overgaan tot de kern van de zaak.’
‘Dat werd stilaan tijd,’ dacht Orpheus.
‘Gisteravond zei u dat ik u alleen kon helpen door uw geliefde Eurydice weer tot leven te wekken. Ik kan veel, maar met de regels van de dood knoeien ligt helaas buiten de capaciteiten van sterfelijken als u en ik.’
De drang om op dat moment recht te springen en terug naar huis te gaan was heel groot bij de commissaris, maar aangezien de waarzegster nog geen woord gerept had over een te betalen bedrag, bleef hij nog even zitten.
Esmeralda ging verder: ‘Ik kan u misschien niet rechtstreeks helpen om uw doel te bereiken, maar ik kan u wel de nodige informatie verschaffen om op het juiste spoor te raken.’
Orpheus bleef haar emotieloos en stilzwijgend aankijken, benieuwd naar welke onzin ze hem wilde wijsmaken.
‘Mijn praktijk ligt niet toevallig in dit afgelegen bos. Ik heb me hier gevestigd omdat diep in dit bos zich een doorgang bevindt naar de Tartarus, beter bekend als het dodenrijk of de onderwereld. Van daaruit kunt u Eurydice terughalen.’
Aha! Daar was het dan: de clue van het verhaal, de reden waarom ze hem hier had uitgenodigd. Ze wilde hem ervan overtuigen dat zijn dode verloofde niet echt dood was, dat er nog hoop was voor hun toekomst samen en dat hij dus kon stoppen met janken. Wat een heldin!
Orpheus reageerde verontwaardigd: ‘Haal jij er plezier uit iemand anders zo voor de gek te houden? Is dat misschien zo’n rare fetisj van jou? Je voedt je op de naïeve goede hoop van iemand anders nadat je die persoon hebt wijsgemaakt dat hij al zijn zorgen kan vergeten en dat alles weer goedkomt. Het is natuurlijk belangrijk voor jou dat je klanten je geloven, want aan blije klanten verdien je veel geld. Maar dat is geen probleem voor jou, want jij pikt ze er gewoon uit wanneer ze het meest kwetsbaar en naïef zijn voor zulke hoopgevende leugens! Dat jij je niet schaamt!’
‘Heb ik sinds de start van dit gesprek ook maar één woord over geld laten vallen, meneer Watson?’ verdedigde Esmeralda zich, ‘U bent een flik. U ondervraagt constant leugenaars en slaagt er elke keer in de waarheid te achterhalen, dat is uw job. Als ik nu aan het liegen was, zou u het meteen moeten doorhebben. Dus kijk mij aan en zeg mij in alle eerlijkheid dat u werkelijk gelooft dat ik lieg.’
Ze vertoonde inderdaad geen typische tekenen van leugenachtig gedrag, dat kon Orpheus niet ontkennen. Hij bleef echter sceptisch.
‘Als er hier echt een doorgang is naar de onderwereld, waarom is dat dan niet algemeen geweten? Als blijkt dat je echt in contact kan komen met de doden, waarom is dat dan nooit in de media verschenen? Dat zou toch allang wereldnieuws moeten geweest zijn?’
‘De weg ernaartoe is niet vanzelfsprekend. De onderwereld is niet gemaakt voor sterfelijken. Hoe dichter je in de buurt komt, hoe benauwder je het krijgt. Je voelt je gedesoriënteerd, ongemakkelijk en uitgeput. Degenen die toevallig in de juiste richting stappen zonder van het bestaan van de doorgang af te weten, keren door dat ongemakkelijke gevoel meteen terug. De enkelen die er bewust naartoe zijn gegaan en erin zijn geslaagd terug te keren, hebben besloten gevoelige informatie over de onderwereld binnen zeer vertrouwde kringen te bewaren. Daardoor weet ik zelf ook niet meer over de Tartarus.’
Orpheus wist nog steeds niet of hij haar moest geloven, maar was wel geïntrigeerd door het verhaal. Hij besloot om het spel nog even mee te spelen.
‘En hoe moet ik daar dan geraken?’
‘Simpel, de doorgang bevindt zich waar de zon nooit schijnt.’
In de war door Esmeralda’s vreemde woordkeuze wierp hij haar een vragende blik. Ze antwoordde met draaiende ogen: ‘Het noorden, Orpheus. De zon schijnt nooit vanuit het noorden. Blijf gewoon in noordelijke richting stappen en als u zich niet op uw gemak voelt, bent u op het goede spoor.’
‘Wat doe ik dan als ik daar aankom?’
‘U zult Hades, de god van de onderwereld, moeten overtuigen om Eurydice mee te mogen nemen. Ik heb van de mensen uit de stad gehoord dat u een bijzonder goede babbelaar bent met een enorme overtuigingskracht, dus u maakt wel degelijk een kans op slagen. Ze is niet groot, maar wel reëel.’
Orpheus Watson kon nauwelijks geloven dat hij al begon te twijfelen aan de echtheid van Esmeralda’s verhaal. Overwoog hij nu echt om op zoek te gaan naar de ziel van zijn overleden geliefde in het dodenrijk? Dat was toch te belachelijk voor woorden?
‘Waarom zou ik u geloven?’
‘Laten we dit afspreken: u hoeft me pas te betalen voor mijn diensten nadat u Eurydice levend naar de bovenwereld heeft gebracht. Besluit u gewoon naar huis te gaan, doen we alsof dit gesprek nooit heeft plaatsgevonden en kunt u teruggaan naar uw zielige, deprimerende leventje van verdriet en eenzaamheid. Overtuigd?’
Na deze woorden stond Orpheus op en schudde hij Esmeralda de hand. Hij kon niet geloven dat hij echt op het punt stond om het te proberen, maar hij besefte ook dat hij niets te verliezen had als het hele verhaal verzonnen was.
‘Here goes nothing,’ dacht hij bij zichzelf terwijl hij de deur achter zich sloot en zich voorbereidde op een ongewone boswandeling.

 

Deel III

Het mocht dan wel nog middag zijn, maar het wolkendek en het dicht opeengepakte gebladerte zorgden ervoor dat het bos er donker uitzag. Orpheus was ondertussen al tien minuten aan het stappen zonder enig resultaat. Ach ja, als uiteindelijk zou blijken dat Esmeralda alles verzonnen had, was hij tenminste eens buiten gekomen. Dat was iets dat hij de laatste tijd niet meer gedaan had. En door erop te letten dat hij steeds in noordelijke richting bleef stappen, had hij die voorheen nutteloze kompasapplicatie op zijn gsm ook eens gebruikt. Het viel Orpheus wel op dat hij door dat kleine sprankeltje hoop de dingen eindelijk weer van de positieve kant kon bekijken. Hij begon zich zijn leven met Eurydice al helemaal voor te stellen. Stel dat Esmeralda toch gelijk had en hij erin slaagde Eurydice terug te halen, hoe zouden ze dat dan aan de buitenwereld moeten uitleggen? Zouden ze de waarheid vertellen? Ze konden er niet echt een andere uitleg aan geven die wèl geloofwaardig klonk. Misschien moesten ze gewoon ergens anders een nieuw leven beginnen, ergens waar niemand hen kende. Het zou zeker pijnlijk zijn om te vertrekken zonder afscheid te nemen van hun familie en van Elien, maar als hun mirakel gekend zou zijn, zou dat onvoorspelbare gevolgen met zich meedragen.

Toen Orpheus uit zijn dagdroom ontwaakte, besefte hij dat het bos opvallend stil was geworden: hij hoorde geen vogelgezang meer, geen geritsel in het struikgewas, helemaal niets. Ook had hij het gevoel dat het kouder werd. Kwam hij dan toch in de buurt? Of dacht hij dat alleen maar? Zintuigen zijn makkelijk te manipuleren, wist hij. De hoop dat hij dichterbij kwam kon ervoor zorgen dat hij bepaalde dingen die er niet waren toch leek te horen of voelen. Het werd opeens toch wel heel koud, te koud voor de tijd van het jaar. Wanneer Watson zijn adem uit zijn mond zag ontsnappen wist hij wel zeker dat hij zich de lage temperatuur niet inbeeldde. Je zou toch echt denken dat de onderwereld een rijk van vuur en lava was. Ineens veranderde alles heel snel: Orpheus werd kortademig, zijn benen voelden verschrikkelijk zwaar aan en de bomen leken voor zijn ogen te dansen. De verontrustende stilte maakte vlug plaats voor een oorverdovend, constant gepiep. De commissaris begreep nu volkomen waarom toevallige voorbijgangers besloten om terug te keren, maar hij moest volhouden. Wat hij nu voelde betekende dat Esmeralda de waarheid sprak. Hij moest en zou de onderwereld bereiken. Bij elke stap die hij zette voelde hij zichzelf verzwakken. Hij werd almaar meer uitgeput en duizelig. De paar meters die hij aflegde voelden aan als kilometers. Hoe hard hij ook wilde doorzetten, het lukte hem niet: na een paar tellen werd alles zwart en viel hij bewusteloos neer op de grond.

*****

Opstaan met een kater was tegenwoordig niets nieuws voor Orpheus… Alleen had hij deze keer niets gedronken. Toch had hij last van vreselijke hoofdpijn en werd hij wakker met een verschrikkelijke stank rondom hem. Het rook echter niet naar een samenstelling van alcohol en zweet, zoals gewoonlijk het geval was. Zijn bed lag ook veel minder comfortabel dan anders: nat maar ook pijnlijk, alsof er spijkers in zijn matras zaten. Toen Orpheus rondom zich keek zag hij dat hij helemaal niet in zijn slaapkamer was. Hij bevond zich in een grot van een opmerkelijk donker gesteente – gesteente dat bewoog. Of nee, hij bewoog. Compleet in de war keek hij op om tot de ontdekking te komen dat zijn lichaam gedragen werd in de muil van een gigantisch beest. Wat voor een beest kon hij niet zien, maar hij zag links van hem wel een hond lopen van dezelfde reusachtige grootte. Wanneer het beest halt hield en Orpheus op de grond liet vallen, werd hem duidelijk dat het om wel drie honden ging. Of beter gezegd: één hond met drie koppen! Toen schoot het hem te binnen: hij was in het bos op zoek naar de ingang van de onderwereld. Het zicht van de hellehond kon alleen maar betekenen dat het hem gelukt was die te bereiken, al kon hij zich niet herinneren hoe. Het plotse gegrom van de drie hondenkoppen gaven hem ook niet de indruk dat hij de tijd zou hebben om erover na te denken. Hoe moest hij nu uit deze situatie geraken? Dat beest zou hem zo inhalen als hij het waagde te vluchten! Misschien was dit wel niet zo slecht: als hij nu stierf, zou hij een eeuwigheid de tijd hebben om Eurydice terug te vinden en zou hij zich ook geen zorgen meer moeten maken over zijn leven met haar in de bovenwereld. Wanneer elke kop van de hellehond dichterbij kwam en zijn gigantische, vlijmscherpe tanden liet zien, besloot Orpheus om geen vin te verroeren en zijn lot te accepteren.
‘Cerberos, af!’
Watson zag een man vanuit de schaduwen verschijnen als een schurk uit een of andere rotslechte superheldenfilm.
‘Aansteller!’ dacht de commissaris bij zichzelf. De mysterieuze verschijning leek wel echt gezag te hebben over het beest, aangezien het meteen het bevel van zijn baasje opvolgde en zich terugtrok. Toen de man dichterbij kwam, zag Orpheus dat hij er mager en lijkbleek uitzag met pikzwart haar en angstaanjagend donkere ogen. Dit moest Hades wel zijn.
‘Vergeef het hem, het gebeurt niet zo vaak dat een sterfelijke dit rijk binnenkomt. Levend mensenvlees is een van zijn favoriete maaltijden,’ sprak de indrukwekkend zware stem van de god van de onderwereld.
Orpheus moest even slikken. Hij voelde zich werkelijk geïntimideerd.
‘O, maak je maar geen zorgen, ik zal ervoor zorgen dat hij je niet opeet. Als blijkt dat je mijn tijd niet komt verdoen, tenminste. Maar het feit dat je zonet roerloos bent blijven zitten toen je bijna werd verslonden duidt op moed, dus ik heb er wel vertrouwen in dat je me niet zal teleurstellen. Voorlopig speelt dat in je voordeel, maar hou er rekening mee dat mijn verwachtingen nu extra hoog zijn. Als je reden om naar hier te komen niet aan die verwachtingen voldoet, zal ik je dan ook extra hard moeten laten lijden.’
Watson probeerde heel hard om niet nerveus of bang over te komen, maar Hades kon de angst zo van zijn gezicht aflezen. Dat zorgde voor een gemene grijns op zijn goddelijke gezicht voor hij zijn monoloog hervatte: ‘Jij weet ongetwijfeld wel wie ik ben, maar voor alle zekerheid zal ik het toch maar eens duidelijk herhalen. Ik heb vele namen: sommigen noemen mij Lucifer, anderen Pluto, Hades, de Koning der Doden, God van de Onderwereld, Heerser van het Dodenrijk… Kies maar. Maar vertel mij eens, hoe heet jij?’
‘Orpheus Watson.’ Het lukte hem ondertussen beter om een strak gezicht te behouden.
‘Aangename kennismaking, Orpheus.’ Hades reikte zijn rechterhand uit naar Watsons gezicht, verwachtend dat die de ring rond zijn ringvinger zou kussen als teken van respect of onderdanigheid – het hing ervan af hoe je het bekeek. Watson kon dit echter niet appreciëren en bleef vastberaden voor zich uit staren. De grijns die nu op Hades’ gezicht verscheen was veel groter dan de vorige, wat niet per se een goed teken was. Als reactie op de arrogantie van de sterfelijke jongeman sloeg hij met de buitenkant van zijn rechterhand in Orpheus’ gezicht, die op zijn beurt door de kracht van de slag op de grond neerviel.
Hades nam de sterveling bij zijn kraag en waarschuwde hem: ‘Luister eens goed, snotneus, je niet laten intimideren door Cerberos was moedig en indrukwekkend, maar mij niet respecteren is dom, heel dom. Misschien besef je niet goed met wie je te maken hebt, dus laat me je dat even heel duidelijk maken: ik bepaal wat er met jou gebeurt als je verhaal me niet kan overtuigen en zelfs als dat wel lukt, zal ik nog steeds over jouw lot beslissen na je dood. En ik kan je verzekeren dat er dingen zijn die veel erger en pijnlijker zijn dan de dood zelf. Dus hou je maar gedeisd. Heb je dat goed begrepen?’
Orpheus knikte voorzichtig.
‘Ik had daarnet een goed gevoel over jou en dat speelde in je voordeel. Nu heb je me echter teleurgesteld, waardoor je weer vanaf nul begint. Zorg er dus maar voor dat je verhaal me bevalt.’
Orpheus stond op en raapte alle moed bijeen om zijn reden tot komst toe te lichten.
‘Ik ben naar hier gekomen omdat…’
‘Zwijg!’ onderbrak Hades hem, ‘Wacht tot ik op mijn troon zit. Ik heb het graag wanneer iemand naar mij opkijkt en ik op iemand kan neerkijken.’
Ondertussen was Orpheus verschrikkelijk zenuwachtig geworden. Het liefst van al wilde hij dit deel gewoon overslaan en met Eurydice naar de bovenwereld vluchten. Hades nam plaats op de stenen troon die Orpheus door alle heisa nog niet had opgemerkt. Daarnaast stond nog een andere troon, waarop een jonge vrouw neerzat. Hij wist niet of die er al de hele tijd zat of pas tijdens het hele gebeuren van zonet had plaatsgenomen.
‘Spreek,’ beval Hades nadat hij een comfortabele positie had gevonden.
Watson nam even diep adem en begon toen aan zijn monoloog: ‘Ik ben naar hier gekomen om mijn geliefde Eurydice Van Sandt mee te nemen naar de bovenwereld. We zijn ondertussen al zeven jaar lang samen en zien elkaar nog steeds even graag als in het prille begin. Iedereen die ons kent kan bevestigen dat wij een prachtig koppel vormen. Over een paar dagen zouden we trouwen, maar helaas is ze twee weken geleden naar hier gestuurd. Ik ben er echt kapot van. Ik eet nog amper, ik kom nooit meer buiten, ik verwaarloos mijn vrienden en ik voel me gewoon een rotslecht persoon. Ik heb het gevoel dat mijn leven geen zin meer heeft zonder haar. Daarom smeek ik jullie om haar alstublieft levend terug te sturen naar de bovenwereld. Alstublieft!’
Aan Hades’ blik te zien was hij niet onder de indruk door de wanhoop en smeekbeden van de commissaris.
‘Elke keer dat er hier een mens voor mij verschijnt moet ik exact hetzelfde verhaal aanhoren, maar met verschillende namen. Weet je wel hoe saai en vermoeiend dat is?’
Door die woorden raakte Orpheus vanbinnen helemaal in paniek. Hades moest op de een of andere manier te overtuigen zijn, hij wist alleen niet hoe.
‘Gelukkig heb ik tegenwoordig veel tijd gehad om leuke straffen te bedenken, dan heeft jouw bezoek toch nog iets van nut gehad. Persephone, haal jij even mijn lijstje, alsjeblieft?’
Orpheus keek de vrouw heel even enthousiast aan. Natuurlijk, Persephone! Dat was het!
‘Excuseer … Persephone is toch uw echtgenote, hè?’
Hades keek Orpheus ongeïnteresseerd aan.
‘Correct. Wat is je punt?’
‘Nee, niets. Ik herinner me gewoon jullie mythe. U weet wel, de mythe waarin u haar heeft ontvoerd terwijl ze bloemen aan het plukken was, maar haar moeder wou niet dat haar dochter voor eeuwig in de onderwereld moest blijven. Dus zijn jullie tot het akkoord gekomen om haar een halfjaar lang hier te houden en de andere helft van het jaar terug naar haar moeder te sturen.’
‘Nogmaals, wat is je punt?’ vroeg Hades ongeduldig.
‘De meeste mensen zouden dit een voorbeeld van het stockholmsyndroom noemen, omdat Persephone zogezegd in gevangenschap voor u gevallen zou zijn. Maar door de manier waarop zij naar u kijkt zie ik dat ze echt van u houdt. Als politiecommissaris weet ik wanneer iemand de waarheid spreekt en wanneer niet. Bij een koppel zie ik ook wanneer bij een van de partners de liefde niet oprecht is en ik kan u met honderd procent zekerheid zeggen dat Persephone’s gevoelens voor u volledig echt zijn.’
‘Luister jongen, hoe langer je mijn tijd hier verdoet, hoe zwaarder de straf zal zijn. Ik zou dus maar mijn mond houden als ik jou was.’
‘Stel dat uw schoonmoeder besliste dat uw vrouw nooit meer naar de onderwereld mocht komen zonder dat u daar iets aan kon veranderen, zou u dan zo gemakkelijk opgeven? Nee, dat zou u niet doen. Ik weet dat omdat ik zie dat de band tussen Persephone en u te sterk is. De band tussen Eurydice en mij is minstens even sterk, dat moet u toch ook voelen? Waarom zou ik anders nu zowel mijn leven op aarde als mijn latere leven in de onderwereld riskeren?’
Orpheus besefte dat hij het veel persoonlijker moest maken als hij wou dat zijn plan zou werken.
‘Hades, ik weet dat u graag intimiderend en als een wreed monster overkomt. Wie zou u ongelijk geven? Uw familie zag u als een monster, dus heeft ze u behandeld als een monster en bent u zich beginnen gedragen als een monster. Maar ik ben er zeker van dat er ook goedheid in u schuilt. Anders zou een onschuldige vrouw als Persephone nooit voor u zijn gevallen. Ik smeek u dus om genade te tonen. Ik begrijp dat uw familie en de mensheid u dagelijks teleurstellen, maar daarom hoeft u uw frustratie niet uit te werken op mensen die het niet verdienen. Ik weet niet of ik het verdien, maar ik ben wel zeker dat Eurydice het niet verdient om hier weg te kwijnen. Dus als u het echt niet ziet zitten om haar samen met mij naar boven te sturen, laat me dan met haar van plaats ruilen. Zij kan in de bovenwereld haar leven voortzetten terwijl ik hier achterblijf. Ik ben zelfs bereid om elke straf die u mij oplegt erbij te nemen, zolang zij maar gelukkig is.’
Hades keek bedenkelijk. Was het echt gelukt? Hebben Orpheus’ woorden hem echt geraakt?
‘Orpheus, je bent geen slecht man. Maar ik kan echt niet zomaar iemand uit mijn rijk bevrijden, dat gaat gewoon niet.’
‘En wat als we er nu een voorwaarde aan verbinden?’ stelde Persephone voor. ‘Hoewel ik het niet op prijs stel dat jullie net de hele tijd over mij in de derde persoon hebben gesproken alsof ik er niet bij was, apprecieer ik je moed en vastberadenheid, Orpheus. Ik wil je dus wel de mogelijkheid geven om samen met Eurydice te vertrekken uit de Tartarus.’
‘Schat, dat kunnen we niet zomaar doen,’ protesteerde Hades.
‘Ik zei toch dat er een voorwaarde aan verbonden was?’ Persephone richtte zich tot Orpheus.
‘Eurydice zal gedurende de hele terugweg achter jou lopen en uiteindelijk de enige dode ziel zijn die dit rijk ooit levend zal verlaten. Het enige dat jij niet mag doen is haar aankijken tot je de bovenwereld hebt bereikt. Doe je dat toch, moet ze onherroepelijk terugkeren en ben jij hier als sterveling niet meer welkom. Ben je bereid je aan die voorwaarde te houden?’
Orpheus knikte bevestigend. Beiden keken ze Hades aan om zijn mening te horen.
‘Lijkt me redelijk,’ antwoordde hij. ‘Draai je om en dan laat ik Eurydice achter je verschijnen.’
De commissaris deed wat hem werd opgelegd. Hij kon nauwelijks geloven dat dit echt gebeurde. De plotse verandering van Hades’ gedrag tegenover hem was zeker eigenaardig, maar dat kon hem even niets schelen.
‘Eurydice?’ vroeg hij zachtjes. Geen reactie.
‘Het heeft nu geen zin om tegen haar te spreken,’ legde Persephone uit, ‘De zielen die hier aankomen bezitten geen emoties of zelfbesef meer. Ze zal je wel blijven volgen tot aan de bovenwereld omdat mijn man dat zo wil. Hoe meer jullie de bovenwereld naderen, hoe menselijker zij zal worden. Haar herinneringen zullen langzaamaan terugkeren.’
Hades gaf hem verdere uitleg: ‘Aangezien je hier bewusteloos bent aangekomen, weet je niet waar je naartoe moet. Ik zal de weg vrijmaken doorheen het doornenwoud aan de rechterkant van deze grot. Het is een andere route, maar wel veiliger en je komt op hetzelfde punt uit. Je zal niet onwel worden als je de onderwereld verlaat, dat gebeurt enkel bij mensen die hier willen binnentreden. We houden niet zo van bezoek, ik weet niet of je dat gemerkt hebt.’
Het kwam er dus op neer dat Orpheus blindelings moest vertrouwen dat Eurydice daadwerkelijk achter hem liep. Hij zag niet in waarom het koninklijke koppel daarover zou liegen als ze hem gewoon hier hadden kunnen houden, dus stapte hij na een uitgebreid dankwoord de grot uit op weg naar de bovenwereld, hopelijk met Eurydice achter hem.

 

Deel IV

Het doornenwoud was allesbehalve een gezellig zicht, maar was wellicht niet half zo onrustwekkend als de rest van het dodenrijk. De doornen waren elk tientallen centimeters lang en vlijmscherp. Allemaal leken ze tegelijkertijd op je af te komen terwijl je erlangs liep. Gelukkig zorgde het vrijgemaakte pad ervoor dat Orpheus er doorheen kon zonder dat zijn oogballen doorboord werden. Hij vroeg zich wel af hoe Hades dat op zo’n korte tijd gedaan had zonder zelf in het woud te zijn geweest. Luisterde werkelijk alles in deze wereld naar de bevelen van hun heerser? Gehoorzaamden ze hem dan uit angst of uit respect? Het eerste leek logischer, tenzij Hades de inwoners van zijn rijk anders behandelde. Zulke vragen leidden Orpheus even af zodat hij niet te veel moest denken aan de mogelijkheid dat Eurydice hem helemaal niet aan het volgen was. Hij wou gewoon eindelijk weer thuis zijn met zijn verloofde en al deze ellende zo snel mogelijk vergeten.

Hoe ver zou het nog zijn? Als hij bij zijn aankomst bij bewustzijn was gebleven, had hij dat nu beter kunnen inschatten. Het belangrijkste was om nu gewoon te blijven doorlopen, ook al leek de weg oneindig lang te duren. Zouden ze op het werk ondertussen besloten hebben om hem te ontslaan? Elien had hem daarvoor gewaarschuwd, dus misschien moest hij dat toch eens nagaan wanneer hij boven aankwam. Zou de tijd daar zelfs op dezelfde manier werken als in de onderwereld? Misschien waren er wel al dagen voorbijgegaan, of slechts een paar minuten. Misschien was er zelfs al…
‘Orpheus?’
En op dat moment verdween opeens alle twijfel bij de commissaris. De plotse geruststelling door het horen van Eurydice’s stem gaf hem een onbeschrijflijk gelukzalig gevoel. Alle zorgen en onzekerheden vielen weg en de reis naar de bovenwereld leek een stuk minder zwaar geworden.
‘Ja, Eurydice, ik ben het! Je bent nu waarschijnlijk nog wat in de war, maar ik zal je alles straks uitleggen. Het is nu belangrijk dat je gewoon vlak achter mij blijft.’
De doornen zagen er aanzienlijk minder lang en dreigend uit. Het kon niet ver meer zijn, wist Orpheus. Nog een paar minuten en dan is dit allemaal achter de rug. Hij had besloten om het mirakel aan een beperkt aantal mensen te vertellen en dan te verhuizen met zijn verloofde. Het zou veel te gevaarlijk zijn voor de bevolking als het bestaan van de onderwereld bekend was. Hades zou nieuwe sterfelijken geen genade tonen. Orpheus was slechts een uitzondering en hij moest Hades voorlopig zoveel mogelijk te vriend houden. Dat zou grandioos kunnen veranderen als de onderwereld zomaar zou volstromen met andere stervelingen op zoek naar hun overleden dierbaren.

Er waren nu nergens nog doornen te bespeuren en Orpheus kon in de verte wat zonnestralen zien. Ze waren nu echt heel dichtbij. Nog een paar meter en dan kon hij zijn Eurydice eindelijk weer aankijken en vastnemen.
‘Orpheus, stop!’
Die woorden bevielen hem niet. De laatste keer dat iemand dat tegen hem zei, had hij zijn verloofde dood aangetroffen. Nieuwsgierig naar wat het probleem was stopte hij toch met lopen.
‘Wat is er nu, schat? Ik heb het al gezegd: ik weet dat dit allemaal heel verwarrend is, maar we zijn er bijna. Heb gewoon een beetje vertrouwen in mij. Je zal zien, alles wordt straks weer normaal.’
‘Ik weet weer wat me overkomen is, Orpheus. Ik weet wat je allemaal doorstaan hebt om me uit de onderwereld te halen, maar ik smeek je om je plan af te breken!’
Orpheus kon zijn oren niet geloven. Wat had zij nu opeens?
‘Komaan, Eurydice. Het is echt niet het moment voor zulke misplaatste grappen. Je gaat me nu toch niet zeggen dat je liever terugkeert naar de onderwereld in plaats van met mij naar huis te keren?’
‘Tuurlijk wil ik liever met jou mee, maar dat kan ik niet!’
‘Maar jawel, Hades en Persephone hebben alles geregeld! Je wordt de eerste dode ziel die levend de onderwereld verlaat. We kunnen eindelijk weer samen zijn.’
‘Neen, Orpheus, als we hiermee doorgaan word ik niet zomaar de eerste dode ziel die hier levend wegkomt, maar ook de enige. Zo heeft Persephone dat gezegd. Ik kan gewoon niet met je mee.’
‘Maar wat maakt het nu uit dat jij de enige wordt? Hoe groot is de kans dat nog iemand anders Hades probeert te overtuigen om een ziel mee te nemen naar de bovenwereld? Vòòr mij was het nog nooit iemand gelukt.’
‘Orpheus, heb je je nooit afgevraagd waarom ik de dag voor mijn dood niet het vliegtuig heb genomen waarvan ik had gezegd dat ik die zou nemen?’
‘Je had een vroegere vlucht genomen om mij te verrassen, dat leek me de enige logische verklaring.’
‘Ja, maar ik wou je niet zomaar verrassen met mijn vroegere aankomst.’
Het bleef even stil. Orpheus hoopte dat Eurydice de hint zou snappen en haar echte reden zou verklaren. Dat deed ze ook.
‘Ik had een vroegere vlucht genomen omdat ik de dag ervoor geweldig nieuws had gekregen: ik was zwanger.’
‘Over een verhaalwending gesproken,’ dacht Orpheus. Ze hadden al jaren geprobeerd om een kind te krijgen, maar het was steeds zonder resultaat. Plots herinnerde hij zich iets dat Elien tegen hem aan de telefoon had gezegd. Bij de lijkschouwing was er iets aan het licht gekomen over Eurydice. Als hij op tijd van zich had laten horen, zou hij het natuurlijk allang geweten hebben. Hij wilde het uitschreeuwen van geluk, maar besefte zelf ook wat het probleem was.
‘De baby is samen met mij gestorven en zit dus nog steeds in mijn buik. Als ik nu met jou meega, zal ons kind dat niet overleven. Ik zou niet met dat verlies verder kunnen leven, maar als jij je nu omdraait, hoef ik dat ook niet. Dan keer ik gewoon terug naar de onderwereld en vergeet ik wie ik ben en wat me is overkomen.’
‘Maar ik kan niet zonder jou verder!’ schreeuwde Orpheus wanhopig, ‘Ik heb je net terug, ik kan niet voor een tweede keer afscheid van je nemen!’
‘Misschien kan je iets anders regelen met Hades? Misschien kan hij ervoor zorgen dat we ons zelfbewustzijn behouden in de onderwereld en dat ons kind normaal kan opgroeien. Dan zullen we gewoon op je wachten tot de tijd voor jou ook daar is.’
Dat plan was volledig zinloos en Orpheus wist dat. Hades en Persephone waren natuurlijk op de hoogte van haar zwangerschap. Daarom wilden ze haar ineens wel laten gaan op die ene voorwaarde: ze wisten dat dit zou gebeuren. De kans dat een alternatieve deal kon worden gesloten was nihil, daar was volgens Orpheus geen twijfel over mogelijk. Maar zijn toekomstige vrouw op dezelfde manier zien lijden als hij de laatste weken gedaan had was ook geen optie. Hij stond op het punt om de meest hartverscheurende beslissing van zijn leven te maken waar hij achteraf ongetwijfeld spijt van zou krijgen. Met gesloten ogen draaide hij zich langzaam om. De pijn die hij op dat moment voelde was nog veel ondraaglijker dan de pijn die hij de laatste tijd gevoeld had. Aarzelend opende hij zijn ogen waarmee hij eindelijk zijn Eurydice kon aankijken. Hij bekeek voor de laatste keer haar lange, rode haren, haar blauwe ogen en haar mooie, volle lippen die de woorden ‘dank je’ uitspraken voordat ze voorgoed verdwenen.

 

Deel V

De vele tegenslagen van de afgelopen dagen oefenden een zeer verstikkende druk uit op Orpheus. Hoe meer hij terugdacht aan alle ellende die hij onlangs gekend had, hoe benauwder hij het kreeg. Hij had inmiddels voor de tweede keer zijn verloofde verloren en het ergste was dat hij dat de laatste keer had kunnen voorkomen. Hij wilde wel geloven dat Eurydice nu gelukkiger was in de onderwereld dan ze hier zou geweest zijn, maar hij wist zelf goed genoeg dat dat niet zo was. Eurydice kon daar helemaal niets voelen. Ze was niets meer dan een levenloze schim die niet in staat was gelukkig te zijn. Met die gedachte in zijn hoofd leek het verstikkende gevoel alleen maar erger te worden.

Orpheus herinnerde zich hoe hij meteen na zijn terugkeer naar de bovenwereld verslag had uitgebracht bij Esmeralda. Hij wilde haar bedanken voor de informatie en was bereid te onderhandelen over een te betalen bedrag, ook al was het hem niet gelukt om Eurydice levend terug te halen. Bij de zigeunercaravan aangekomen zag hij haar eten geven aan een vastgeketende jachthond. De viervoeter begon meteen te grommen toen hij de onbekende opmerkte. Nieuwsgierig door diens plotse agressie keek Esmeralda om en probeerde haar verraste blik onmiddellijk weer neutraal te maken toen bleek dat Orpheus achter haar stond. Dat vond de commissaris iets te opvallend.
‘Orpheus Watson, blij u weer te zien. Waar is uw verloofde? Heeft u de doorgang niet gevonden?’
‘Toch wel! U had gelijk over alles: de doorgang, de onderwereld, Hades… Werkelijk alles was zoals u het beschreven had. Sorry dat ik u niet geloofde. Ik kon Hades helaas niet overtuigen om me Eurydice terug te geven.’
‘Dat vind ik verschrikkelijk jammer om te horen. Ik had echt gehoopt dat het u zou lukken, maar helaas ziet het ernaar uit dat de doden en levenden nooit zullen samenleven.’
De hond was kennelijk niet blij met Orpheus’ komst. Het gegrom werd heviger en maakte vervolgens plaats voor dreigend geblaf.
Esmeralda probeerde het dier tevergeefs te kalmeren: ‘Cerberos, af!’
Natuurlijk zou ze hem naar de hellehond noemen, wat had Orpheus anders verwacht? Het beest was zelfs bijna even agressief als de echte Cerberos, maar luisterde veel slechter naar zijn baasje. Het geblaf bleef maar toenemen in volume.
‘Die hond was er toch nog niet bij mijn eerste bezoek of vergis ik mij?’
‘Nee, u heeft gelijk. Mijn man had hem toen uitgelaten.’
Orpheus merkte op dat Esmeralda meer intonatie gebruikte dan anders en zelfs met ontblote tanden begon te lachen, iets dat hij haar nog nooit had zien doen sinds hun eerste ontmoeting.
‘Waarom liegt u?’ vroeg hij.
‘Wat bedoelt u?’ vroeg zij op haar beurt.
Hij keek haar argwanend aan. Waarom zou ze nu over zoiets stoms liegen? Toen schoot het hem te binnen: Eurydice was niet gedood door een mens, maar door een dier. In de krant was Orpheus erachter gekomen dat de bijtwonden afkomstig waren van een grote hond. Nu begreep hij waarom Esmeralda hem zomaar wou helpen: ze wilde van haar schuldgevoel afraken.
‘Was uw hond de ochtend van Eurydice’s dood toevallig in hetzelfde park als zij?’
‘Wat probeert u te insinueren?’ Esmeralda klonk verontwaardigd en zenuwachtig tegelijkertijd. Orpheus begon stilaan zijn geduld te verliezen.
‘Antwoord op de vraag.’
‘Nee, Cerberos was gewoon hier bij mij.’
‘U weet goed genoeg dat ik het kan zien wanneer iemand liegt en u bent een van de slechtste leugenaars die ik ooit ben tegengekomen!’ schreeuwde Watson intimiderend.
Als reactie op dit gedrag begon Cerberos wild te springen in de hoop zich te kunnen losbreken van zijn ijzeren ketting, terwijl hevig gegrom en geblaf elkaar afwisselden.
‘Een dier dat een mens aanvalt moet worden ingeslapen. Uw hond is veel te gevaarlijk!’
‘Cerberos werd jarenlang mishandeld door zijn vorige baasje, hij kan het niet helpen dat hij zo geworden is. Getraumatiseerde mensen geven we toch ook geen spuitje? Waarom is dat bij dieren dan wel oké om te doen?’
Niet te geloven! Hoorde zij wel wat ze zei? Dat beest had iemand gedood en zij vond het niet nodig daar iets aan te doen. Dat kon Orpheus echt niet vatten.
‘Uw hond is een gevaar voor de samenleving, Esmeralda. Het is mijn plicht aangifte te doen. U zal een gepaste sanctie krijgen omdat u Cerberos voor de politie heeft achtergehouden.’
Op dat moment haalde Esmeralda een geweer vanuit haar gewaad tevoorschijn en richtte het op de commissaris. Deze was niet onder de indruk, zelfs geen klein beetje.
‘Als sympathieke commissaris ben ik bekend bij zowat iedereen in de stad. Als u nu de trekker overhaalt, zal mijn afwezigheid de buurtbewoners opvallen. Er zal naar me gezocht worden en ze zullen me ook vinden. Uw woonplaats mag dan wel de meest afgelegene zijn in de hele stad, een lichaam wordt altijd gevonden. Dat kan ik u verzekeren. Dan zullen alle sporen naar u leiden en wordt u niet alleen gestraft omwille van wat uw hond gedaan heeft, maar wordt u ook nog eens veroordeeld wegens moord op een politieagent met een illegaal wapen. U zult dan in de gevangenis mogen vertoeven tot u stokoud bent en uw leven zo goed als voorbij is. Ik zou dus onmiddellijk dat pistool aan mij geven als ik u was.’
Inziend dat ze haar nederlaag moest toegeven overhandigde ze Orpheus het geweer. Hij nam het rustig aan en richtte het dan op Esmeralda. Geschokt keek ze hem onbegrijpend aan.
‘W-wat doet u nu? Denk aan wat u tien seconden geleden tegen mij gezegd heeft. Vindt u het echt de moeite waard om uw leven te verdoen achter de tralies?’
‘Ik ben twee weken geleden gestopt met leven en dat komt allemaal door uzelf en dat rotbeest naast ons.’
Cerberos was heel die tijd blijven blaffen en grommen. Zijn agressie nam elke minuut toe. Orpheus keek hem ongeïnteresseerd aan, richtte zijn geweer op het beest en haalde de trekker over.

Hij wist nog steeds niet wat hij moest denken van dat hele voorval. Had hij het juiste gedaan door het heft in eigen handen te nemen, of had hij het beter overgelaten aan degenen die bevoegd waren dat te doen? Als hij voor dat laatste had gekozen, liep hij wel het risico dat Esmeralda gevlucht zou zijn met haar hond. Dan zou dat viervoetige gevaar nog niet geweken zijn. Terwijl hij  zijn geweten in twijfel trok, nam het verstikkende gevoel alleen maar toe. Het was zo erg geworden dat hij nauwelijks nog kon ademen. Hij probeerde steeds naar adem te happen, maar dat lukte niet. Orpheus Watson vroeg zich nog af wanneer iemand hem zou vinden en hoe die persoon zou reageren op het zicht van een dode politiecommissaris bengelend aan een strop in zijn woonkamer.

 

 

Gebaseerd op de Griekse mythe van Orpheus en Eurydice.

Advertisements

One thought on “Orpheus en Eurydice

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s